TEGEN VLOEKEN, ZWEREN EN MISBRUIK VAN GODS NAAM.

Uw naam zoo heilig en verheven
Aanbidden de englen, Hemelheer!
De booze geesten doet hij beven,
En heel de schepping geeft hem eer.

En zal een mensch, een kind het wagen
Dien naam te ontheilgen snood en stout,
En naar uw felle wraak niet vragen,
Of meenen dat gij doof zijn zoudt?

Afschuwlijk zweren, schriklijk vloeken:
Hoe durft hij, die zich dat vermeet,
Ooit in t gebed uw aanzicht zoeken,
En hopen u tot hulp gereed?

Met welk gelaat, met welk een harte,
Zal hij, van troost en hoop beroofd,
Het onheil, dat hij roekloos tartte,
Zien komen op zijn schuldig hoofd?

Maar ook al had hij niets te vreezen
Al werd zijn gruwlijk kwaad verschoond,
Een vloeker zal mijn vriend niet wezen,
Ik kan niet dulden wie U hoont!


Ingezonden op: 19 July 2001