ZONDAGAVOND.

De lieve Zondag is voorbij;
Wat heeft hij zoets geschonken!
Ik ging ter kerk, waar rij aan rij
In aandacht zat verzonken.

Waar alles zong met ้้ne stem,
En zich vereende in ’t bidden
Om troost, om hulp, om kracht van Hem
Die ook was in ons midden.

Daar hoorde ik door een achtbaar man
Het Woord van God ontvouwen;
Schoon ’k alles niet begrijpen kan,
Ik heb toch veel onthouen.

Daar kwam men van mijn kleinen schat
Mij iets voor de armen vragen;
Indien ik meer bezeten had,
’k Had milder bijgedragen

De gansche week heeft vader ’t druk;
Wij zien hem slechts bij tijden;
Den heelen Zondag — o geluk! —
Kan hij aan ons zich wijden.

Hij leest ons voor, zegt op, vertelt,
Weet thuis ons te onderhouen,
Of doet ons, in het open veld,
De wondren Gods aanschouwen.

De lieve moeder is er bij,
En kijkt met vroolijke oogen,
En al de kindren zien zoo blij
En glunder als zij mogen.

Zoo ging ook nu de dag weer om,
Dien wij van God verkregen,
Begonnen in zijn heiligdom,
Begunstigd met zijn zegen.


Ingezonden op: 19 July 2001