LIEDEKENS.

DE AALSMEERDER BOER

AAN HET HAARLEMMERMEER IN 1838.

Groote Plas, Groote Plas,
k Wou je leeggemalen wast
Want je knabbelt, alle jaren,
Aan mijn weiland met je baren,
En het kost me vrij wat geld
Om .ie perk te zien gesteld.
Kijk, waar nu de schepen varen,
Heeft mijn vader mij verteld
Dat veel landerijen waren
Meer dan zevenhonderd ro,
Van het Oost naar t Westen toe.
Die zijn allemaal gevallen
Slokop! in je holle maag;
En nog helpt het niet met allen,
En nog ben je al even graag.
Daarom, toen k heb hooren praten,
Dat je in t oog liep bij de Staten,
Ben ik in de Nieuwe Zwaan
Met een vroolijk hart gegaan,
En ik heb het aan de vrinden,
Die ik in t gelag mocht vinden,
Voorgelezen uit de krant,
En gedronken op de Heeren,
Die je kansen doen verkeeren,
Ten profijte van het Land.
Groote Plas, Groote Plas,

k Wou je leeggemalen wast
k Had veel liever duizend morgen
Van je vetste en puikste land,
Dan hier steeds te zitten zorgen
Aan je natten waterkant.
k Snee veel liever garst en haver,
Kool- en raapzaad naar me toe;
k Joeg veel liever kalf en koe
In je diepte, op malsche klaver,
Dan ik t nu mijn schuitje doe.
k Heb de Purmer eens bekeken,
k Ben de Beemster rondgegaan,
En het stond mij beter aan,
Niets te zien dan groene streken,
Overal in t rond bezet
Met veel huisjes, knap en net,
Dan op al die witte bellen,
Die er op je golven zwellen,
Als de wind er onder spookt,
Net alsof je water kookt.

Groote Plas, Groote Plas,
k Wou je leeggemalen was!
k Zou mijn hoed wel lichten willen
Voor de molentjes, wier vlucht
t Water op het rad zal tillen
En verheffen t in de lucht.
Ik zal lachen dat ik schater,
Als ik voor mijn oogen zie
Dat er in een maand twee drie,
Al wat daling komt in t water;
En als eens de maaitijd komt
En ik mag er koren snijden
Zal ik, hoe je nu ook bromt
Op je bodem mij verblijden,
En ik vier een Boerenfeest,
Waar je water is geweest.


Ingezonden op: 19 July 2001