LIEDEKENS.

ARMOE.

Ik wou dat k had
Een grooten schat
Van guldens en. van zeeuwen;
Ik lei daarom mijn werk niet neer,
Noch zon gaan leven als een heer,
Of als een luiaard geeuwen.

Ik zond mijn zoon
Niet met der woon
Naar Leiden op studeeren,
Noch hing mijn kinders en mijn wijf
Een kapitaal van goud aan t lijf,
Of opgepronkte kleeren.

k Bleef bij mijn vak;
k Zou geen gemak
Voor dat ik oud werd wenschen;
Maar weetje wat ik liever wou:
Het is van t jaar zoon bittre kou,
Voor zooveel arme menschen.

Ik hielp zoo graag,
Maar voel gestaag
Mijn zakken plat en ledig;
Nu wensch ik ieder oogenblik,
Dat al wie meer bezit dan ik
Der armen nood bevredig.


Ingezonden op: 19 July 2001