LIEDEKENS.

DE CONDUCTEUR.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Hij droeg een zwartfluweelen pak
Met koopren knoopen, en hij stak
Den horen tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Hij had een zilvren plaat op ít hart;
Zijn wang was bruin, zijn haar was zwart,
Zijn oog zoo tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Hij reed, met krasse blessen voor,
Halfweg voorbij en Haarlem door,
En zuchtte tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Hij reed, met maal en horen om,
Door Bennebroek en Hillegom,
En lachte tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Hij reed de lommírige eikendreef
Van Hillegom tot Lis, en wreef
Zijn handen tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
In Sassem zag hij elken dag
Een meisje, dat uit ít venster lag,
En groette ít tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden,
Op ít laatst, het koele groeten moe,
Wierp hij ít lief kind een lonkje toe,
Een zoenhand tusschenbeiden.

De Conducteur zat op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Hij had nu al zoo lang geknikt,
Geglimlacht en verliefd geblikt:
ít Verdroot hem tusschenbeiden.

Eens zat een ander op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Maar op het Rechthuis heeft de Schout
Aan ít Sassemsch meisje hem getrouwd,
En heil gewenscht aan beiden.

Nog zit hij daaglijks op den bok,
Van Amsterdam naar Leiden.
Maar ís morgens, eer hij ít rit begint,
Zegt hij goÍdag aan vrouw en kind,
En geeft een zoen aan beiden.


Ingezonden op: 19 July 2001