LIEDEKENS.

DE DAMIAATJES. I)

(EEN HAARLEMSCH LIEDEKEN.)

Als de Damiaatjes luien,
Gaan de kindertjes naar bed,
Maar de meisjes hebben buien
Van verliefdheid altemet.

Wat al mutsjes, wat al doekjes,
Wat al muiltjes over straat!
Wat al vrijers om de hoekjes,
Daar men mee spanseeren gaat.

Wat al praatjes, wat al fluisteren,
Wat al kleurtjes naar het hoofd!
Wat al ongeloovig luisteren,
Daar men toch te veel gelooft!

Wees voorzichtig, mooie Grietje!
Wees voorzichtig, ’s avonds laat.
De oude Lourens Koster ziet je,
Waar dat jij maar henen gaat;

Zie het fladdren van de heertjes,
Die je volgen op je pad;
Hoor het raatlen van je kleertjes —
Meisjelief! de weg is glad.

Als je dan dien weg eens wikte,
En je naamt een kort besluit…
’k Zou niet wachten tot hij klikte,
En ik scheidde er daadlijk uit.

Daadlijk, eer de klokjes koud zijn
Deed ik afstand van mijn lust.
Grietje! kindertjes, die stout zijn,
Slapen nimmer heel gerust.


De Damiaatjes zijn klokjes te Haarlem, elken avond van negenen tot half tien geluid, ter gedachtenis der overwinning van Damiate. In den aanvang der 13e eeuw.


Ingezonden op: 19 July 2001