LIEDEKENS.

GUURTJE.

Guurtje zou te kermis gaan,
Met een mooi goud ijzer aan,
Met een aardig kermispak,
Rood van rok en groen van jak;
Maar wie was de jongeling,
Daar ze mee te kermis ging?

Klaas was haar te bijster lang.
Foei, ze was begane wel bang,
Dat hij haar verliezen zou
In de plooien van zijn mouw!
Klaasbuur! schoon je zuinig ziet,
Guurtje gaat met U-E niet.

Piet was haar te dik van buik;
Net zoo’n lompe waterkruik.
Foei! men kon hem aan de liên
Voor een fooitje laten zien.
Pietbuur! schoon je zuinig ziet,
Guurtje gaat met U-E niet.

Janneef loensde haar te veel;
Wat? hij kiek geweldig scheel;
En een man, die dubbel zag,
Kreeg vast ruzie in ’t gelag.
Janneef! schoon je zuinig ziet,
Guurtje gaat met U-E niet.

Keesmaats beenen waren krom.
Foei! waar dacht dat ventje om?
Zou zij met zoo’n hoepelbeen
Voor de vedel komen? Neen!
Keesmaat! schoon je zuinig ziet,
Guurtje gaat met U-E niet.

Toch ging lange Klaas er heen
Met Marijtje Vlugterbeen;
Dikke Piet is uitgeweest
Met Kristijntje Vroolijkgeest;
Loensche Jan met Hille Net,
Schuinsche Kees met Bartje Pret.

Wat deed Guurtje? Bleef zij thuis
Bij haar moeder? Wel abuis!
Zij hield kermis deze maal
Met een Piet-oom oud en schraal,
Die een bril droeg en een kruk;
Was dat niet een groot geluk?


Ingezonden op: 19 July 2001