LIEDEKENS.

HET PUTJE VAN HEILOO.

Hoe lieiluk ligt het klein Heiloo
Van ’t hooge bosch beschut;
Een kerk zeer oud staat daar gebouwd,
Daar achter is een Put.

Die Put (een schat voor mensch en beest)
Met heldre bron gevuld,
Die is daar altijd niet geweest
Zooals gij hooren zult.

Toen Willebrord de Kruisleer bracht
Van d’overkant der zee,
Was ’t hier één zand in ’t heidensch land,
Één droge, dorre steê.

De tocht was lang, de hitte bang,
De reisflesch uitgeput;
Des Heiligs borst versmacht van dorst…
En nergens huis of hut!

Daar staat hij, leunende op zijn staf,
En ziet vergeefs in ’t rond…
Daar knielt hij neer, en bidt zijn Heer,
Daar opent zich de grond.

Daar vloeit een zilverklare bron,
Die allen nood verdrijft,
Waar Willebrord zijn dank bij stort,
En die gezegend blijft

Dat is de put van ’t klein Heiloo,
In Kenmerland beroemd;
Die ’t wonder looft ontdekk’ zijn hoofd
En strooi hem met gebloemt.


Ingezonden op: 19 July 2001