LIEDEKENS.

ROODKAPJES THUISKOMST.

Visschers Jaap rustte op de kruin
Van een duin,
Op zijn ellebogen,
En hij sloeg zijn oogen op
Naar het sop,
Groote, vroolijke oogen.
Helder zag hij ’t zonlicht blinken,
Helder over zee en zand,
Helder op twee kleine pinken,
Die het hielden naar het strand.

Visschers Jaap dacht blijde: „ Daar
Keert mijn vaâr
Huiswaarts op Roodkapje.
’t Westewindje wakkert aan;
Dat zal gaan,
Altijd vlak voor ’t lapje!
t’ Avond zal men afslag houen,
t’ Avond zal er drukte zijn,
Zal ik vader helpen sjouwen,
En naar stad bij maneschijn!”

Moeder Jobje zat in huis
’t Blauwe buis
Van haar Jaap te lappen;
Maar haar voet bleef evenwel
Op de rel
Van een wiegje trappen.
Dapper weerden zich de longen,
Boven moeders deuntje uit,
Van haar dikken zesden jongen,
Van haar tiende huwlijksspruit.

’k Hoor, Roodkapje is in ’t zicht!…
(Stil toch, wicht!)…
’k Heb het al begrepen;
Dat ’s van avond nog op ’t pad,
Om in stad
Met de ben te slepen;
Luid te schreeuwen langs de straten,
Mooie visch, tot lagen prijs
Aan de lui te moeten laten;
Waarom komt hij niet bijtijds?

„Morgenochtend niet te kerk,
Maar aan ’t werk
Op den dag des Heeren;
Hier een knoop af, daar een scheur
De elboog deur
Van je vaders kleeren!
Dan, mooi af van drukte en leven,
Naar de middagpreek als ’t kan.
Kleine Krelis! wacht reis even,
Wieg jij ook reis, als een man!

.Maandag vaart de jongen mee:
Dat ’s er twee
Op de zoute baren;
Dat ’s weer een gebed te meer
Tot den Heer,
Die hen kan bewaren.
’k Ben mijn Sijmen niet vergeten,
Hoe zijn lijk op ’t barre strand,
Met den vloed, werd neergesmeten…”
En een traan beefde op haar hand

Nog lag Japik op de kruin
Van het duin,
Op zijn ellebogen,
En nog hield hij de oogen op
’t Ruime sop,
Groote, vroolijke oogen.
„Nou, Roodkapje mag wel blij zijn,”
— Dacht hij — en de heele zee!
Japik zal er Maandag bij zijn,
Japik vaart ’n Maandag mee!”


Ingezonden op: 19 July 2001