LIEDEKENS.

MAARTJE VAN SCHALKWIJK,

Maartje gin„ met Kees uit hooien.
Zoenje, zei hij nou me niet,
Al de roken, die je ziet,
Zal ik op je leden gooien.
Maartje zei: ,,’t Is jou gegund,
Doe wat jij niet laten kunt.”

Maart je ging met Kees uit rijden,
Op een hooge, hooge sjees.
Geef je nou geen zoen, zei Kees,
’k Laat je voor de wielen glijden!
Maartje zei: „’t Is jou gegund,
Doe wat jij niet laten kunt.”

Maartje ging met Kees uit varen,
In een smalle, smalle scbuit.
Geef me een zoen, riep Keesje uit,
Of ik smijt je z๓๓ in ’t Sparen.
Maart je zei: „’t Is jou gegund,
Doe wat jij niet laten kunt.”

Maartje, zei hij, jij hebt grillen,
’k Droomde dat je van me hiel…
„’k Doe ’t ook,” lachte ze, „in me ziel.”
Kees dacht: Zij schijnt niet te willen,
En toch weet ik niet een man,
Die van haar meer houden kan.

Hoor reis, zei hij, lieve Maart je!
’k Heb op jou mijn zin gezet;
Als jij zelf het niet belet,
Wou ik spreken met je Vaartje.
Maartje zei: „Nou ben je een man!
Doe wat jij niet laten kan.”

 


Ingezonden op: 19 July 2001