LIEDEKENS.

ZWAARHOOFD.

Zeg reis, Teeuwis van der Stenen,
Waarom jij je-zelf zoo kwelt.
’k Wou je mijn gezicht niet leenen,
Jij verknoeide ’t met geweld.

Zoo veel kreukels, zoo veel voren,
Zoo veel rimpels van verdriet!
Al hadt je al je geld verloren,
Naarder uitzien kon je niet.

Altijd kijkje omlaag naar de aarde,
Nooit reis naar de blauwe lucht;
’k Wou wel weten waar je op staarde;
He! wat was dat weer een zucht.

’t Moet wel aaklig met je loopen,
Arme drommel, daar je bent!
Altijd moet je effecten koopen;
Dat ’s een ding dat moeilijk went.

’t Moet ook treurig zijn te leven
In dat hondenhok van jou:
Nauwlijks een vertrek, zes, zeven,
Pas zes kachels voor de kou.

’t Moet wel naar zijn, alle dagen
Wijn te drinken, en zoo voort;
Kijk, ik moet je zelfs beklagen;
Elk wordt aaklig die het hoort.

Daarom benje dan ook mager
Als een osje in ’t klaverveld;
Daarom zakt je kin al lager;
Och, je bent zoo droef gesteld!

„Niemand,” zegt gij alle dagen,
„Niemand weet er wat ik lij’,
Wat voor narigheên me plagen;
Telkens komt er weer wat bij.

„Pijnen, winden, steken, jichten,
Duizelingen, doodsbenauwd,
Vreemde droomen en gezichten,
Eensklaps warm, en eensklaps koud.

„Angsten voor slechts beuzelingen,
Daar een ander niets in ziet,
Moed noch doorzicht in de dingen…
Och, mijn vriend! je weet het niet!”

Weetje wat ik aan zou raden,
Arme sukkel? Neem een vrouw!
Zoo ’t geen goed doet, ’t zal niet schaden;
Maar ’k geloof het helpen zou.


Ingezonden op: 19 July 2001