OOSTERLINGEN.

XVII.

EEN LIED IN GROOTE DROOGTE.

(JEREMIA XIV.)

Uit Juda rijst een bang geklaag;
Haar poorten bukken t hoofd omlaag,
Als met een rouwgewaad omgeven.
Jeruzalem heeft aangeheven
Een dof geschrei, dat opwaarts stijgt
Jehova in den hemel zwijgt
Haar grooten zenden hunne kleinen
Naar waterbeken en fonteinen;
De dorst maakt hun de voeten vlug,
Maar schaamrood keeren zij terug,
En toonen t droog en ledig bekken,
Terwijl zij t hoofd met asch bedekken.
Van droogte scheurt des aardrijks korst;
Dies slaat de landman op de borst.
De hinde, door den nood gedrongen,
Verlaat haar pasgeworpen jongen,
Omdat haar uier niet en zwelt;
Geen grasje schiet er uit op t veld;
Geen blaadje bot er aan de takken.
Om naar een weinig wind te snakken,
Klimt, met een op geborsten lip,
De onager op de heete klip,
En tuurt er langs de dorre landen,
Met oogen, die als kolen branden.

Schoon tegen ons onze ongerechtigheden
Getuigen, om uws naams wil, hoor ons, Heer!
Veelvuldig zijn de gruwlen, die wij deden,
Wij zondigden, zie in genade neer!
O Israels Verwachtinge! en, in vreezen,
Zijn Heul en Heiland! waarom zoudt
Gij als een vreemdling in den lande wezen,
Een reizend man, die hier slechts intrek houdt?
Waarom als een bezweken, een verslagen,
Een overweldigd held, wiens bijstand zwicht
Daar wij den naam van Volk des Heeren dragen,
Daar Ge onder ons uw woning hebt gesticht.
Mijn oog is rood van dag en nacht te weenen;
De Jonkvrouw van mijn Volk ligt machtloos neer!
In grimmigheid is haar de Heer verschenen
O God, geef haar den adem weer!
Ga k uit naar t veld het krijgszwaard heeft verslagen!
Keer ik ter stad de honger heeft verteerd!
Vergeefs profeet en priester raad te vragen;
Met wanhoop keert die uit den tempel keert.
Zal Juda dan voor goed verworpen wezen,
Walgt dan uw ziel van Sion, Heer?
Gij slaat, en zonder hope van genezen;
Men smacht naar vre, daar komt geen vrede meer.
Wij kennen, wij belijden de godloosheid,
Die ons bevlekt; ei zie ons gunstig aan!
Zij overtreft al onzer vaadren boosheid;
O God! wij hebben zwaar misdaan.
Versmaad ons niet! Om uwes naams wil, Heere!
Werp, werp niet om den zetel uwer eere!
Och of Gij des Verbonds gedacht!
Wie zijn er onder de afgon, die doen regenen?
Gij slechts zijt God. die scheppen kant en zegenen
Niet vruchtloos wacht die op U wacht.


Ingezonden op: 19 July 2001