OOSTERLINGEN.

XX.

ESTHER.

Schoone Esther, toen uw blanke hand
Het sluiergaas had weggeslagen,
En u des Konings oogen zagen,
Hoe kromp u hart en ingewand!
Gij zaagt hem, van zijn pracht omtogen
In heerlijkheid en vorstentrots,
Met gloed en vlammenschietende oogen
En blinkende als een engel Gods.

Hoe werd dat oog dus dof van vreeze.
Dat van zoo schoon een flikkring glom,
Als ’t „Kom ik om, zoo kom ik om”
Het hart verhief der Joodsche weeze.
Hoe boog dat heerlijk hoofd van schrik,
Hoe werd de vuurblos op die wangen,
Bestorven voor dien koningsblik,
Door bleekte van den dood vervangen.

Maar toen gij in uw blanken hals,
Op uw slavinne neergebogen
Gelijk een leliebloem des dals,
Bezwaard door droppels uit den hoogen
Des gulden schepters kouden knop
Gewaar werdt, dien de Koning voerde:
Wat vreugd die toen uw ziel ontroerde,
Hoe sloegt gij toen uw oogen op!

„Wat is u, Esther? spreek! schep moed!
„Ik ben uw broeder; gij zult leven!”
„ „Heer! gij zijt wonderlijk en goed!” ”
Maar weer heeft haar de spraak begeven.
Schoone Esther! nogmaals zonkt gij neer
In d’ arm van uw ontstelde vrouwen…
Schoone Esther had haar volk behouen,
En Abrams zaad herleefde weer.


Ingezonden op: 19 July 2001