OOSTERLINGEN.

III.

EZAU.

Zoo was daar aan uw heup geen zwaard,
Geen scherpe pijl op uwe schoudren?
O Kind der tweedracht van uw oudren,
Met ruige borst en rossen baard!
Kondt ge u den doodsstrijd niet verkorten?
Of was u moed en geest verdoofd,
Dat gij uw eerstgeboren hoofd
Niet liever zoudt te plettren storten,
Dan ít van zijn recht te zien beroofd?

O, Scheur uw kleedren, scheur uw kleedren!
Verstootling van uw moeder, ween!
Zoo ge u ten dienaar kondt verneedren:
Ook dwaalt gij ongezegend heen.
Wel waart gij Izaks uitverkoren,
Wel had hij u en uw geslacht
Zijn vaderzegen toegedacht,
Maar overvloed van most en koren,
Maar vrijheid, heerschappij, en macht,
Daalt neder op den jongstgeboren,
Verstoken in zijn geitenvacht.

Zink aan de knieŽn neer des Oaden,
En offer uw vergeefsche jacht;
En jammer, of hij op uw klacht
Geen enklen zegen heeft behouden!
U blijft niets over dan uw zwaard;
Weerspannig zijn en hem belagen,
Wiens juk gij zijt gedoemd te dragen,
Ziedaar uweenig heil op aard,

Op, Edomieten! Edomieten!
Uw deel is arm, uw haat is groot!
Bedenkt, hoe in Rebekkaís schoot
De broedren reeds elkander stieten!
Voorwaar, die dag verheugt uw ziel,
Waarin uw woede ít jak zal breken,
En ít kroost van hem naar ít harte steken,
Die Ezau vastgreep bij den hiel;
Want schriklijk zal, in ít woedend treffen,
Uw harige arm het zwaard verheffen,
Het zwaard, uw laatst, uw eenigst goed!
Den prijs, dien Ezau niet verachtte,
Toen hij van dorst en honger smachtte,
Vermeerdrend met een prijs van bloed!

En gij, o Jakob! roem uw zegen!
Nog zult gij siddren op uw wegen,
Als, van de zijde der woestijn,
De wind zal voeren tot uw ooren
Het krijgsgeschrei van dí Eerstgeboren,
En Edom zal in ít wapen zijn!


Ingezonden op: 19 July 2001