OOSTERLINGEN.

VII.

HANNA.

Breng voor Hanna’s aangezicht
Wijn noch uitgezochte spijzen;
Want gij zult die af zien wijzen;
Droefheid sluit haar lippen dicht.
Arme, kinderlooze vrouw,
Die men in haar wee durft tergen!
Ach, waar zult gij ’t hoofd verbergen,
Neergebukt door smaad en rouw?

El’kana veracht u niet,
Schoon de Heer uw schoot niet opent;
Altijd liefde op liefde hoopend,
Zoekt hij troost voor uw verdriet.
Kom dan, droog dien tranenvloed!
Meerder dan een tiental zonen,
Wil hij u zijn liefde toonen,
En uw jammer is vergoed.

Bitter weenend gaat zij uit
Tot des Heeren tabernakel,
En zij bidt dat een mirakel
Haar onvruchtbren schoot ontsluit;
„God der Vaadren! Zie op mij!
„Wie kan zonder zegen leven?
„Zoo uw gunst me een zoon wil geven,
„Dat hij U geheiligd zij!

Dus heeft Hanna hare zie!
Voor Jehova uitgegoten;
En Hij heeft haar niet verstooten
Wie het leed zoo bitter viel.
O, gezegend zij de zucht
En de klachte harer rouwe,
Die den schoot der droeve vrouwe
Van den Ziener heeft bevrucht!


Ingezonden op: 19 July 2001