OOSTERLINGEN.

I.

ISMAEL.

O, Brandend, brandend, brandend smachtte,
Jonge Ismael! uw droge borst;
En de angst van Hagar, de verachte,
Had niet dan tranen voor uw dorst.
En zoudt gij dus het leven enden,
In schaduw van dees distelstruik,
En naast die leege waterkruik,
jij, de eersteling uit Abrams lenden?
O, Scbriklijk, schriklijk middaguur!
De wind is gloed, het zand is vuur,
Berséba, van uw dorre vlakte !
En nergens teeken van een wel,
Die 't leven rekt van Ismael,
Die naar een weinig water snakte.

Zoo had haar Abrams God gelogen,
Ten dage toen zij, bij de bron,
(Ach, bad ze een enkle nu dier togen,
Wier frischheid toen niet troosten kon!)
Bij eigen landpaal neergezeten,
Aan Sara.'s ijverzucht ontvlucht,
Wie zij haar dorheid had verweten,
Reeds trotsch op de ongeboren vrucht,
Zijn stem gehoord had in de lucht:
„De Heer heeft Hagar niet vergeten;
„De Heer verhoorde Hagars klacht;„
En als ze een zoon heeft voortgebracht,
„Zal zij zijn naam VERHOORING heeten.

„Vrij en ontembaar zal hij leven,
„En woest als de ezel der woestijn
„Wat hand tot hem worde opgeheven,
„Zijn hand zal tegen allen zijn.
„Hij zal zijn broedren hem doen eeren,
„Hij over duizenden gebiên;
„En wie naar ’t Oosten ’t oog zal keeren,
„Zal siddrend zijne tenten zien !”

Dus sprak de Heere van ’t Gezichte;
En nu! zie hier ’t beloofde kind!
De moeder schreit haar oogen blind;
Want, ach! zijn laatste sterkte zwichtte.
O, Schriklijk, schriklijk middaguur!
De wind is gloed, het zand is vuur,
Berséba, van uw dorre vlakte!
En nergens teeken van een wel,
Die ’t leven rekt van Ismael,
Die naar een weinig water snakte.

Als Hagar zag dat hij zou sterven,
Die al haar hoop was en haar eer,
Stond ze op om ’t wreed gezicht te derven,
En zat een boogschot verder neer,
Van waar zij luistren kon en hooren
Totdat de dood zijn stem zou smoren.
Toen sprak Gods Engel uit een wolk:
„De Heer vernam des jonglings kermen;
„Neem hem nog eenmaal in uwe armen,
„En laaf den vader van zijn volk.”

O, Zegen, zegen, dubble zegen,
Driedubble zegen over ’t vocht,
Dat toen het hoofd verheffen mocht,
Waar ’t machteloos was neergelegen,
Des jongen schutters op den tocht!
Die in Berséba ’s zand moest dorsten;
Maar die, ter rechte- en linkerhand,
Zijn kroost vermeerdren zag als ’t zand,
En vader werd van twalef Vorsten,
Gezegend die zijn vanen plant!


Ingezonden op: 19 July 2001