OOSTERLINGEN.

XIV.

IZÉBEL.

O Distel Sidons! waarom moest
De Koning u in Isrels gaarde
Verplanten tot een vloek der aarde?
Zie, nu is Isrels gaarde woest!
Sinds gij er hieft ’t getulband hoofd,
Verdroogt de rank, verschroeit het koren;
Des maaiers hoop is weggeroofd,
En wijn en tarwenoogst verloren.

Om u zijn ’s hemels bronnen droog,
De schoot der aarde dor geworden;
En toch — gij steekt het hoofd omhoog,
Wat halmen om u henen dorden.
Maar wee u, als des Heeren oog
U moe zal worden op zijn akker:
Dan roept zijn stem den Wieder wakker,
Dat die uw struik ontwortlen moog!

Ha! Hoe wreedaardig zal zijn hand
Uw hooge kruin doen nederbukken,
Uw scherpen steel aan de aarde ontrukken,
En schudden uit uw veezlen ’t zand
Dan zullen u zijn harde vingeren,
Waar men des akkers vuil vergaart,
Als een verfoeisel nederslingeren,
U, distel Sidons, vloek der aard!


Ingezonden op: 19 July 2001