XI.

JAFA.

DE GELIEFDE.

Schoon zijt gij, mijn Vriendinne, als Thyrza schoon.
Bekoorlijk als de keurstad van mijn troon,
Ontzaglijk als een legerstoet van dapperen,
Als om hun hoofd de veldbanieren wapperen!
Wend af van mij dat machtig oog, mijn Bruid!
Ik sta dien blik, dien fleren blik niet uit.

Mijn harem roemt op zestig koninginnen,
En tachtig is der vrouwen aantal daar,
En ongeteld e reeks van mijn slavinnen;.
Eene eenige is t, die heel mijn ziel blijft minnen,
Eene eenige, mijn duive! k min slechts haar.
En is ze ook niet haar moeders eengeboorne?
En is zij haar volmaakte dochter niet?
Als haar de rei van Sions maagden ziet,
Dan prijzen zij t geluk der Uitverkoorne,.
Wie heel de stoet mijns harems hulde biedt:

Wie is zij toch, die als de dageraad
Het blinkend oog vrijmoedig om zich slaat,
Die zuiver als de zonne is en verheven,
Die schoon is als de Bleeke van den nacht,
Ontzaglijk als een trotsche legermacht.?
Zoo vraagt de rei. En zij zal t antwoord geven:
k Was afgedwaald naar d open notenhof,
Om t groen des dals, de jonge wijnstoktrossen
En t bloeien der granaten in de bosschen
Te zien, toen ik het oog des Konings trof;
En eer ik t wist was k op den staatsiewagen
Mijns trouwen volks in glorie rondgedragen!


Ingezonden op: 19 July 2001