OOSTERLINGEN.

IV.

JAKOB.

Als Rebekka’s lieveling
Ezau’s kleed had aangetrokken,
En het vel der geitenbokken
De onbewassen hand omving,
Schudde hij zijn bruine lokken,
Dat hem ’t haar in de oogen hing.

Bevende dat stem of spraak
Mocht verraden den verrader,
Daar hij naakte voor zijn vader,
Vlood de verve van zijn kaak;
Huivrig sidderde in zijn ader
Voorgevoel van Ezau’s wraak.

Als den vader, oud en blind,
’t Al te tijdig wild verraste
Hij des jonglings hand betastte,
Die hij ruig als Ezau’s vindt;
Ja de zoon, die hem vergastte,
Was zijn oudst, zijn dierbaar kind!

Daarom stroomt zijn zegen uit,
Met een innig hartverteederen:
„Zoon, het rieken uwer kleederen
„Is als van gezegend kruid.
„Dauw des hemels dale neer;
„Vruchtbre regen
„Vloeie u tegen
„Van den Heer;
„’t Vet der voren
„Voede uw koren;
„Zonneschijn en malsche lucht
„Doe de most steeds tintelgloren,
„In uws wijnstoks rijke vrucht.

„Vele volkren u betuigen
„Dienst en eer;
„Volkren buigen
„Voor u neer,
„Uwer broedren opperheer;
„Waar ge uw aanschijn zult vertoonen,
„Bukken zich uw moeders zonen;
„God u wreekt;
„Dies Hij zal met vloek bezoeken,
„Die u vloeken,
„Zeegnen, die u zegenspreekt!”

O, al klonk het honigzoet,
Zoet in uwe en moeders ooren,
Voor den roof aan d’ Eerstgeboren,
Jakob, hebt gij zwaar geboet!
Maar de zegen evenwel
Ging voor Jakob niet verloren;
Want God had hem uitverkoren,
En zijn lust is Israel!


Ingezonden op: 19 July 2001