OOSTERLINGEN.

V.

JOZEF.

O Zone Rachels, Isrels Elfde,
Maar Eerstling der Verkoren vrouw!
Toen over u het trotsch gebouw
Der Farao’s zijn zoldring welfde,
En aan uw uitgestrekte hand:
Mocht blinken vorstlijk diamant,
Gedacht gij toen aan buigend koren
En neergezegen starrendrom…
Of, aan uws vaders ouderdom,
Die nooit van Jozef meer zou hooren!

Ja, Faro’s lijftrawanten hielden
Uw paarden bij den teugelriem,
Als allen in gansch Mitzraďm
Voor ’s LANDBEHOUDERS aanzicht knielden
En, zonder u, noch voet noch hand
Bewogen in geheel het land!
Maar schoon van koninklijk geleide
Omstuwd, en zeetlende als een vorst,
Bleef daar een stem in Jozefs borst,
Hoe Jakob om zijn liev’ling schreide.

Hoe schemerden des grijsaards oogen,
Als hij den wagen naadren zag,
Die, op dien afgebeden dag,
U in zijn arm zou voeren mogen!
Hoe scheen des grijsaards brein verward,
Als Jozef uitweende aan zijn hart!
O Zone Rachels, Isrels Elfde,
Maar Eerstling der Verkoorne! thans
Blinkt gij van Koninklijken glans,
Maar immers zijt gij nog dezelfde!

Gij, telg uit vruchtbren stam gesproten,
Bekabbeld van een klare bron,
Beschut voor wind en felle zon,
Hoog langs den hofmuur opgeschoten
Op u was menig pijl gericht;
Maar nimmer was uw boog ontwricht,
Daar u de macht des Heeren schutte.
Des Gods, die Jakobs oog’ verscheen,
Toen slechts een ongehouwen steen
Zijn afgematten schedel stutte.

U zal de God uws vaders zegenen,
De Machtige, dien hij aanbad;
U welt des aardrijks borlend nat,
U zal de hemel weldaân regenen!
U zegent borst en moederschoot;
En, was uws vaders zegen groot,
Veel grooter zegen moet er dalen
Op Jozefs opgeheven hoofd,
Welks glans der broedren glans verdooft,
En blinkt van koninklijke stralen.


Ingezonden op: 19 July 2001