OOSTERLINGEN.

XVIII.

KORES

U heffen Juda’s dochtren aan,
Bij cimbelklank en harpgeluid;
U rijst het lied. u vloeit de traan,
U roepen Juda’s zonen uit!
Gij hebt des Reeren woord verstaan;
De godspraak had op u geduid.

Toen ons Jehova wederbracht
En Babels boei onz’ arm ontzonk,
Toen was ’t ons als een droom bij nacht;
’t Gejuich ging op, de glimlach blonk;
De Heer had aan zijn volk gedacht,
Aan Sions afgehouwen tronk.

Wij wieschen, na den blijden tocht.
In ’t water der Jordaan den voet;
En, leegrende aan haar heilig vocht,
Verhief ons hart den welkomstgroet;
Nieuw leven schepten we uit de locht,
Nieuw leven uit den dierbren vloed

En toen verhief ons hart en mond
Den koning, met Gods wil vertrouwd,
Die Salem toeriep: Word gebouwd!
En aan den Tempel: Wees gegrond!
Den Herder Gods klonk snaar en stem;
Jehova’s zegen over hem!


Ingezonden op: 19 July 2001