OOSTERLINGEN.

XII.

MI-TZOOT.

DE UITVERKORENE.

Wie is zij, die daar statig naadren zal,
Op t prachtig bed van Salomo verheven?
Een zuil van rook gelijkt haar slanke stal;
De myrrhegeur schijnt voor haar uit te zweven,
De wierookwalm verzelt haar overal.
Aanschouwt ze wel, des Konings draagbedsponde!
Een zestigtal van helden waakt in t ronde,
Een zestigtal, de keur van Isrels heir,
Ten strijd geleerd, de handen aan t geweer,
Dat ze aan de heup, In fieren hoogmoed, gordden;
Verschrikbrer dan de nachtschrik zijn hun orden.

De Vorst heeft zich een legerkoets gebouwd
Van Libaneesch, van t geurigst cederhout;
Haar hemel steunt het zilver der pilaren,
En t purper van den zachten zetel rust
Op t zuiver goud der voeten; maar de lust
En liefde van uw schoone dochterscharen,
Jeruzalem! siert haar inwendig t meest!
Kom dochtrenrei van Sion, zie uw Koning!
Hem siert de krans die, op zijn bruiloftsfeest,
Zijn moeder had gevlochten hem ter kroning,
Ten dage, die hem dierbaarst is geweest.


Ingezonden op: 19 July 2001