OOSTERLINGEN.

II.

REBEKKA.

Trek heen, gij telg van Bethnell
Indien ge, aan Nahors waterwel,
Op uwe hand hebt neergelaten
De kruike, die den dorst versloeg
Des vreemdlings, die een teuge vroeg —
Ga, waar zijns meesters kudden blaten
Die kudden hebben melks genoeg.

Trek, Labans schoone zuster! heen.
Indien u de armband kostbaar scheen,
U door des dienstknechts hand geschonken,
Voor wiens geknielden tochtgenoot
Gij water in den drinkbak goot
Gij zult met Abrams schatten pronken;
De Heere God maakte Abram groot.

Bestijg, bestijg, volschoone maagd!
Den kemel, die u blijde draagt,
En keer het oog naar ’t vruchtbaar Zuiden,
Waar Izak door de velden gaat,
En gij den sluier vallen laat,
Den langen sluier van de bruiden;
Waar Sara’s tent u openstaat.

O, Onze zuster, onze trots,
Trek henen in de schutse Gods,
En word tot duizend en tienduizend!
Uw Zaad wasse op in bloei en kracht,
De sterkten van zijns vijands macht
En uwer haatren poort vergruizend!
Trek heen, gij roem van ons geslacht!


Ingezonden op: 19 July 2001