OOSTERLINGEN.

IX.

RISPA.

O, Hadt gij tranen voor uw leed,
Toen de oogstzon op den akker brandde
En gij uw droevig weduwkleed
In Gibeon ten tente spande?
Voorwaar, voorwaar, uw lot was wreed.

Want, dochter Ajas! zoo uw schoot
Aan God gezalfde zonen baarde.
Het was niet tot een zulken dood,
Een gruwel in het oog der aarde!
Voorwaar, voorwaar, uw rouw was groot.

Daar hing het dierbaar koningskroost,
Op last eens konings opgehangen;
Van heeten wind en zon geroost,
Om zelfs geen eerlijk graf te erlangen
Daar, Rispa, hing uw roem, uw troost!

Die moedermin hield trouwe wacht,
Die in den dood hun lippen kuste;
Zij liet des daags t gewiekt geslacht
Der heemlen op hun lijk geen ral!te,
En weerde t roofdier af bij nacht.

O wee! hoe brandend was de zon!
Wat sloegt gij vaak vertwijfelde oogen
Naar Silo, Nobe, Gibeon,
Waar eens de Heer was doorgetogen,
Of Hij zich hier ontfermen kon!

Zoo zat gij, droeve weduwvrouw!
Totdat de koopren heemlen weken,
En de eerste droppel regendauw
Op hun verhangen hoofd zou leken.
Voorwaar! de moederliefde is trouwt!


Ingezonden op: 19 July 2001