OOSTERLINGEN.

VI.

RUTH.

De lieve Ruth, de lieve Ruth!
De dochter Moabs, de getrouwe!
Die, zelve een droeve weduwvrouwe,
Een weduw was tot steun en stut; Gezegend zijde stroom van smarte,
Die toen haar minlijk oog vergoot,
Toen uit Naomi’s brekend harte
De zegen op haar nedervloot:
„Gods liefde zij als de uwe groot!”

Zij hief haar stemme op en zij schreide,
En Orpa schreide en snikte als zij.
„Nu, dochterkijns! verlaat mij beide,
„Des Heeren hand is tegen mij.”
Als Orpa nu haar moeder kuste,
Zoo kleefde Ruth de moedlooze aan:
„Hoe zou de ik van u henengaan?
„Voor Ruth is zonder u geen ruste!
„Uw droefheid deelt zij en uw lot;
„Zij zal u sterken met haar krachten;
„Waar gij vernacht, zal zij vernachten;
„Uw volk is ’t hare, uw God haar Godt
„Zoo iets, tenzij de dood, ons scheide,
„Zoo straffe mij die God en Heer!
„Waar gij sterft legg’ men mij terneert”
— Dus sprak de lieve Ruth, en schreide.

In Bethlems akkers kwam zij aan;
Zij zamelde de gerstenaren,
Die aan de hand ontvallen waren
Des maaiers, met haar lot begaan
Daar vond ze in Boaz oog genade,
Als ze aan zijn voeten rust genoot;
Daar vond ze een Losser en een Gade;
Daar opende haar moederschoot,
Des Heeren liefde en zorg zijn groot.

De naam der bitterheid van smarte
Moest smelten in den zoeten klank
Der vreugde, bij Naomi’s dank,
Toen zij een kleinzoon drukte aan ’t harte!
En ’t huis van Ruth, tot heil der aard
Moest Isrels hope zijn nadezen,
En als van Perez vruchtbaar wezen,
Dien Thamar Juda had gebaard.
Een Vorstenteelt sproot uit dien bloede,
Totdat, van schijnbren glans beroofd,
Haar stam in ’t eind den Silo voedde,
Dien God den Vaadren had beloofd!
Geloofd, verheerlijkt zij de Algoede.


Ingezonden op: 19 July 2001