OOSTERLINGEN.

VIII.

SAUL EN JONATHAN.

EEN TREURZANG DAV1DS.

Gij, Isrels hinde! gij gevallen,
Gij op uw heuvelen doorboord!
Hoe kost die wreede heldenmoord
Het beste bloed der honderdtallen!
Die droeve tijding zij gesmoord!
Laat Gath met zulk een maar niet brallen
Noch zij ze in Askalon gehoord!
Opdat de dochtren zulker vaderen,
Der onbesneednen dartle jeugd,
Niet spotten meot een woeste vreugd,
Om t bloed, gevloeid uit vorstlijke aderen!

Op u, op u, geen enkle drop,
Gilba! van geen dauw of regen!
Geen halm schiete uit uw voren op,
Gij akkers! vreemd aan iedren zegen!
Want dr heeft een gevloekte hand,
Dr hebben roekelooze benden
Het schild der helden durven schenden,
Het schild van Sal aangerand,
Als had de zalve Gods de lokken
Van Isrels koning niet doortrokken.

Geen schicht ooit snorde van zijn koorde
Die niet een vijand vallen deed,
Die niet een heldenhoofd doorboorde,
Waar Jonathan voor Isrel streed.
En trok de Koning uit ten strijde,
Zoo stortten Jakobs haters neer;
Want nooit kwam t slagzwaard aan zijn zijde.
Dan van de wraak verzadigd, weer.

U, teedre vriendschap tusschen dezen,
U, heldentrouw in ieder nood
U, waarlijk, u ontzag de dood!
Zij mochten niet gescheiden wezen.
Hoogzwevende adelaars! gij vielt;
Sterk leeuwenpaar! gij ligt ontzield.
Laat, dochtren Jakobs! tranen stroomen;
Beweent uw koning en uw held,
Die van het bloedig oorlogsveld
U goud en opschik thuis deed komen;
Den pronkhaak aan uw kleederzoomen,
Den gordel, die uw lenden knelt!

Helaas! de helden zijn gevallen!
De glorie Isrels ligt vermoord,
En op zijn heuvelen doorboord,
De broeder, wien mijn hart behoort,
Mij dierbaarst van de duizendtallen!
Mijn hart heeft vrouwen lief gehad;
Maar hem beminde ik meer dan allen.
Helaas! de helden zijn gevallen!
Te schande ligt hun wapenschat.


Ingezonden op: 19 July 2001