OOSTERLINGEN.

X.

URIA.

„Neen, Isrel doet zijn legerwachten,
En Juda sluimert op den grond;
De heilge Arke van ’t Verbond
Moet in een dunne tent vernachten!
Des konings knechten rusten uit
Op ’t van den dauw bedropen kruid!
En zou Uria huiswaarts keeren,
En schenken zich den beker in,
En rusten in den arm der min?…
Voorwaar, dit voegt geen knecht mijns Heeren.”

Aandoenlijk! — Overspelig Vorst,
Vergeefs bezwaart gij ’s dappren oogen,
Die trouw blijft wakker in zijn borst,
En slaapt niet in voor zwijmeltogen.
Hij sluimert niet dan in ’t geweer;
Wat andre rust zou helden passen?
Hij zal in eigen huis niet eer
Zijn opgezwollen enkels wasschen,
Dan ’t leger opbreekt van zijn Heer.

En ’t licht is nauwlijks aangebroken,
Daar maakt hij zich de voeten vlug,
En ijlt naar Isrels heir terug
Zijn Vonnis in zijn kleed gestoken!

De strijd gaat aan, die roem belooft;
Rij, aan de spits der heldentallen!
Maar daar verraadt hem ’t legerhoofd;
Daar wordt hem, onder ’s vijands wallen,
De moed niet, maar de ziel ontroofd!
Doch liever met den held gevallen
Dan huichlend tot een wapenknecht
Met u, gevallene! gezegd:
„De krijgskans staat geluk voor allen.”

Zilt gij een vorst, en doet geen recht?!


Ingezonden op: 19 July 2001