RIJMBIJBEL.

DRIE GELIJKENISSEN.

LUK. XV.

Ofschoon een Vrouwe er negen overhad,
Zoo zij van tien n Penning heeft verloren,
Ze ontsteekt haar lamp en zoekt dien als een schat,
En rust niet voor ze in t duister hem ziet gloren.
Dan juicht ze als om een nieuwe vondst verblijd
Zoo is er vreugd voor de Engelen daarboven,
Indien een mensch, verdonkerd voor een tijd,
Weer keert in t licht van lieven en gelooven.

Al bleef hem ook een groote kudde trouw,
Zoo slechts n Schaap van t honderdtal gaat dolen,
Wat Herder, die t niet ijvrig zoeken zou,
Al heeft het zich in ruigte en woud verscholen?
Dan brengt hij t op zijn eigen schoudren weer,
En viert een feest met buren en met vrinden
Verdwaalden! Dus zoekt u de trouwe Heer,
En juicht, indien Hij u terug mag vinden.

Wanneer een Zoon zijns Vaders huis verlaat,
Om zich aan zonde en ontucht toe te wijden,
Maar eensklaps keert en tot dien Vader gaat,
Om, met berouw, zijn schuld hem te belijden,
Zoo wordt hij niet verstooten door zijn ziel,
Maar gaarne en blijde en. liefdrijk aangenomen
Aldus uw God! Geen die zoo droevig viel,
Die zoo t hem rouwt, niet tot Hem weer mag komen.

B.


Ingezonden op: 19 July 2001