RIJMBIJBEL.

MARIA.

LUK. I. v. 26-38.

I.

Schoon Bloemeken, laag weggedoken
In kruid, dat hooger schiet!
Hoe heerlijk is uw kelkje ontloken,
Ofschoon geen oog u ziet.

Wat zoeter geur, uit u gerezen,
Verkwikt de luwe locht;
Hoe zalig zou de stervling wezen,
Die u hier vinden mocht!

Schoone Edelsteen, zoo diep verborgen
In ’t duister van de mijn!
Die u mocht brengen aan den morgen,
Hoe schatrijk zou hij zijn.

1Iaar ach! een ondoordringbaar duister
Boeit straal en schitterglans,
En wat een rijkskroon strekt tot luister
Ligt zonder eere thans.

Maar die u schiep, God in den hoogen,
Geeft acht op uw waardg ;
Want wie Hij lier heeft zien zijn oogen,
In welken schuilhoek ’t zij.

Een nederige jonkvrouw leeft ..
In ’t stille Nazaret;
Een Koningsdochter; maar wie heeft er
Op haar geslacht gelet?

Haar rang en afkomst zijn verscholen
In ’t ongetooid gewaad;
Behoeftige armoe houdt verholen
Haar koninklijken staat.

Maar wat zou Haar naar eer doen talen,
Naar aardschen rang of pracht?
Met ziet de starren ’t helderst stralen,
In d’ allerzwartsten nacht.

Haar oog is slechts op God geslagen;
Hem hoort haar hart geheel;
Hem wil zij dienen al haar dagen;
Hij is haar lust, haar deel.


II.

Maria ligt, van God bezield,
In ’t stil vertrekje neergeknield;
Zij heeft haar hart en ziel en leven
Op nieuw, in ’t kinderlijk gebed.
In ’s Heeren trouwe hand gegeven,
Die op de stem der kleinsten let.

Al wat Hij wil, al wat Hij doet,
Is voor de vrome ziele goed.
Zal haar geluk of zegen wachten?
Zij neemt het aan tot Godes eer;
Of zal de smart bij haar vernachten?
Zij buigt in zwijgend’ ootmoed neer.

Zoo wereldgunst of aardsche lof
Ooit harten met verleiding trof:
Zij wil alleen den Heer behagen;
Zij volgt slechts als een kind haar God.
Hij zal haar helpen, Hij haar schragen,
Bij ’s werelds jammer, smaad en spot.

Daar schemert iets voor haar gezicht.
Daar ziet ze, omstraald van hemelsch licht,
Een vriendlijke’ Engel nederzweven;
Eerst hoort ze een zacht, een zoet geruisch;
Vaar treft haar, tot inwendig beven,
De klank eens hemelschen geluids.

En de Engel voert haar in ’t gemoet:
„Gezegende! wees luid gegroet!
„Met u is God! Zijn oogen schouwen
„In dubble goedheid op u neer;
„Gij zijt de zaligste der vrouwen;
„Gij, de uitverkoorne van den Heer.”

Als zij van zulk een groet verschrikt
En siddrend naar den Engel blikt,
„Staak” — spreekt hij — „staak dit angstig beven!
„Op u stroomt Gods genadevloed;
„ Want zie, u wordt een Zoon gegeven,
„Die als een Koning heerschen moet.”

Op deze woorden suft de maagd;
Zij weet zich rein en kuisch en vraagt:
„Hoe kan dat wezen?” Op dat vragen:
„U heeft des Heeren Geest vervuld;
„Dies ’t Heilge, dat gij baren zult,
„Den naam van Godes Zoon zal dragen.”

Daar buigt zij zich deemoedig neer:
„Zie hier de dienstmaagd van den Heer;
„Haar moog geschieden naar Zijn wille!
„Hem zij de lof en de eer alleen!”
Toen zweeg zij in gepeinzen stille
En ’t goddelijk gezicht verdween.


Ingezonden op: 19 July 2001