RIJMBIJBEL.

DE BLINDGEBOORNE.

JOH. IX.

I.

„Blindgeboren!
Welk een lot!
Op denzulken rust de toren
Van zijn God!
Of zou hij dier zonden boeten
Uit wier bloed hij oorsprong nam,
En de straffe dragen moeten
Voor een erfsmet van zijn stam?”

Neen, verblinden!
God is goed.
Zoudt ge in alles wrake vinden,
Wat Hij doet?
Zoo deze oogen nimmer zagen
’t Licht der zonne of ’s aardrijks dos,
’t Is opdat hun ’t licht zou dagen
Van de schittrende almacht Gods.

„U zij eere,
Sabbatdag!
Dien geen dienstknecht van den Heere
Schenden mag.
Heilig, heilig moet gij wezen,
Die Jehova’s Ruste zijt;
Zelfs door redden en genezen
Werd uw heiligheid ontwijd!”

Neen, verblinden!
God is groot,
Maar op elken dag te vinden,
In den nood.
Ook de Heiland laat niet wachten
Hen, die hulploos voor Hem staan;
Alle dagen, alle nachten
Heiligt Hij door liefdedaân.

B.

II.

Een weinig slijk, een weinig nat,
Gestreken aan des blinden oogen,
Een wassching in uw waterbad,
Silóam! heeft zij dat vermogen,
Dat zij den blinde ziende maakt,
Wiens oog de Heer heeft aangeraakt?

Heeft aangeraakt! —  O, enkel dat
Sloot de ontoeganklijke oogen open;
Geen wonderzalf, geen heilig nat
Kon op een straal van licht doen hopen;
Maar de almacht en de liefde alleen
Des Eengen, die in ’t vleesch verscheen.

Die schonk den blindgeboorne ’t licht.
Bij ziet de zon, hij ziet de menschen,
En, wandlend voor hun aangezicht,
Kent dit zijn nieuw geluk geen grenzen.
Maar, wie hem vraagt: „Hoe is ’t geschied?
Dien antwoordt hij: Ik weet het niet.”

En als de boosheid hem ontbood,
En vroeg, om Jezus te belagen,
„Wie was hij, die uw oog ontsloot?”
Zoo sprak hij luidkeels op dat vragen:
„Hij was uit God; geen wonderkracht
„Ware anders door zijn hand volbracht.”

Maar als hij in Gods eigen Zoon
Hem, die hem redde, mag begroeten,
Zoo knielt, met meer dan dankbetoon,
De blindgeborene aan zijn voeten,
En brengt Hem meer dan menschlijke eer,
En zegt Hem: „Ik geloove, Heer!”

B.


Ingezonden op: 19 July 2001