Mk:6:37: Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij
zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood,
en hun te eten geven?
Mk:6:38: En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet het.
En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.
Mk:6:39: En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij
waardschappen, op het groene gras.
Mk:6:40: En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te
zamen.
Mk:6:41: En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, zag Hij op
naar den hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij
ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen.
Mk:6:42: En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.
Mk:6:43: En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.
Mk:6:44: En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend
mannen.
Mt:14:22: En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en
voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou
laten.
Mt:14:23: En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg
alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.
Mt:14:24: En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren;
want de wind was hun tegen.
Mt:14:25: Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op
de zee.
Mt:14:26: En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd,
zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vreze.
Mt:14:27: Maar terstond sprak hen Jezus aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben
het, vreest niet.
Mt:14:28: En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo
gebied mij tot U te komen op het water.
Mt:14:29: En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op
het water, om tot Jezus te komen.
Mt:14:30: Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon
neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!
Mt:14:31: En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot
hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?
Mt:14:32: En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.
Mt:15:21: En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.
Mt:15:22: En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem,
zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van
den duivel bezeten.
Mt:15:23: Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem
komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.
Mt:15:24: Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de
verloren schapen van het huis Israels.
Mt:15:25: En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!
Mt:15:26: Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der
kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.
Mt:15:27: En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die
er vallen van de tafel van hun heren.
Mt:15:28: Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof;
u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.
Jn:9:1: En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.
Jn:9:2: En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er
gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?
Jn:9:3: Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit
is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.
Jn:9:4: Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het
dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.
Jn:9:5: Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld.
Jn:9:6: Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat
speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;
Jn:9:7: En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (hetwelk
overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.
Jn:9:8: De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was,
zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?
Jn:9:9: Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik
ben het.
Jn:9:10: Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?
Jn:9:11: Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en
bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was
u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.
Jn:9:12: Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zeide: Ik weet het niet.
Jn:9:13: Zij brachten hem tot de Farizeen, hem namelijk, die te voren blind
geweest was.
Jn:9:14: En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.
Jn:9:15: De Farizeen dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was.
En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik wies mij, en ik zie.
Jn:9:16: Sommigen dan uit de Farizeen zeiden: Deze Mens is van God niet, want
Hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is,
zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.
Jn:9:17: Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem; dewijl
Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet.
Jn:9:18: De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en
ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende
geworden was.
Jn:9:19: En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat
blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?
Jn:9:20: Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon
is, en dat hij blind geboren is;
Jn:9:21: Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft,
weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van
zichzelven spreken.
Jn:9:22: Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden
hadden alrede te zamen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te
zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden.
Jn:9:23: Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven.
Jn:9:24: Zij dan riepen voor de tweede maal den mens, die blind geweest was, en
zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is.
Jn:9:25: Hij dan antwoordde en zeide: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een
ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.
Jn:9:26: En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw
ogen geopend?
Jn:9:27: Hij antwoordde hun: Ik heb het u alrede gezegd, en gij hebt het niet
gehoord; wat wilt gij het wederom horen? Wilt gijlieden ook Zijn discipelen
worden?
Jn:9:28: Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: Gij zijt Zijn discipel;
maar wij zijn discipelen van Mozes.
Jn:9:29: Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Dezen weten wij
niet, van waar Hij is.
Jn:9:30: De mens antwoordde, en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat
gij niet weet, van waar Hij is, en nochtans heeft Hij mijn ogen geopend.
Jn:9:31: En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand
godvruchtig is, en Zijn wil doet, dien hoort Hij.
Jn:9:32: Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen
geopend heeft.
Jn:9:33: Indien Deze van God niet ware, Hij zou niets kunnen doen.
Jn:9:34: Zij antwoordden, en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren,
en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.
Jn:9:35: Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide
Hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon van God?
Jn:9:36: Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge
geloven?
Jn:9:37: En Jezus zeide tot Hem: En gij hebt Hem gezien, en Die met u spreekt,
Dezelve is het.
Jn:9:38: En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.
Jn:9:39: En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat
degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.
Jn:9:40: En dit hoorden enigen uit de Farizeen, die bij Hem waren, en zeiden tot
Hem: Zijn wij dan ook blind?
Jn:9:41: Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde
hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zo blijft dan uw zonde.
Lk:10:30: En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem
naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en
daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood
liggen.
Lk:10:31: En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende,
ging hij tegenover hem voorbij.
Lk:10:32: En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en
zag hem, en ging tegenover hem voorbij.
Lk:10:33: Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende,
werd hij met innerlijke ontferming bewogen.
Lk:10:34: En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en
wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde
hem.
Lk:10:35: En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf
ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem
ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.
Lk:10:36: Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die
onder de moordenaars gevallen was?
Lk:10:37: En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan
Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.
Lk:15:1: En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te
horen.
Lk:15:2: En de Farizeen en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze
ontvangt de zondaars, en eet met hen.
Lk:15:3: En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:
Lk:15:4: Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en een van die verliezende,
verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene,
totdat hij hetzelve vinde?
Lk:15:5: En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd
zijnde.
Lk:15:6: En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende
tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren
was.
Lk:15:7: Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een
zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die
de bekering niet van node hebben.
Lk:15:8: Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij een penning verliest,
ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk,
totdat zij dien vindt?
Lk:15:9: En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de
geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb den penning
gevonden, dien ik verloren had.
Lk:15:10: Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een
zondaar, die zich bekeert.
Lk:15:11: En Hij zeide: Een zeker mens had twee zonen.
Lk:15:12: En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel
des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.
Lk:15:13: En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd
hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft aldaar zijn goed
doorgebracht, levende overdadiglijk.
Lk:15:14: En als hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in
datzelve land, en hij begon gebrek te lijden.
Lk:15:15: En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven
lands; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden.
Lk:15:16: En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen
aten; en niemand gaf hem dien.
Lk:15:17: En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns
vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!
Lk:15:18: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen:
Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u;
Lk:15:19: En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als
een van uw huurlingen.
Lk:15:20: En opstaande ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was,
zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende,
viel hem om zijn hals, en kuste hem.
Lk:15:21: En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en
voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.
Lk:15:22: Maar de vader zeide tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het
beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en
schoenen aan de voeten;
Lk:15:23: En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk
zijn.
Lk:15:24: Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was
verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn.
Lk:15:25: En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis
genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei,
Lk:15:26: En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat
mocht zijn.
Lk:15:27: En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het
gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.
Lk:15:28: Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader
uit, en bad hem.
Lk:15:29: Doch hij, antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zo vele
jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje
gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn.
Lk:15:30: Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht
heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.
Lk:15:31: En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne
is uwe.
Lk:15:32: Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was
dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.
Lk:16:19: En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer
fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig.
Lk:16:20: En er was een zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijn
poort vol zweren;
Lk:16:21: En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel des
rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren.
Lk:16:22: En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen
werd in den schoot van Abraham.
Lk:16:23: En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn
ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn
schoot.
Lk:16:24: En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend
Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn
tong; want ik lijde smarten in deze vlam.
Lk:16:25: Maar Abraham zeide: Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw
leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt
smarten.
Lk:16:26: En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote klove
gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden
kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.
Lk:16:27: En hij zeide: Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders
huis;
Lk:16:28: Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet
komen in deze plaats der pijniging.
Lk:16:29: Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die
horen.
Lk:16:30: En hij zeide: Neen, vader Abraham, maar zo iemand van de doden tot hen
heenging, zij zouden zich bekeren.
Lk:16:31: Doch Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet
horen, zo zullen zij ook, al waren het, dat er iemand uit de doden opstond, zich
niet laten gezeggen.
Mt:17:1: En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes,
zijn broeder, en bracht hen op een hogen berg alleen.
Mt:17:2: En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk
gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.
Mt:17:3: En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elias, met Hem samensprekende.
Mt:17:4: En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij
hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U een, en
voor Mozes een, en een voor Elias.
Mt:17:5: Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd;
en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in
Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!
Mt:17:6: En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer
bevreesd.
Mt:17:7: En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest
niet.
Mt:17:8: En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.
Mt:17:9: En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt
niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden.
Lk:10:38: En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en
een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.
Lk:10:39: En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de
voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.
Lk:10:40: Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende, zeide
zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen?
Zeg dan haar, dat zij mij helpe.
Lk:10:41: En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert
en ontrust u over vele dingen;
Lk:10:42: Maar een ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen,
hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.
Lk:18:15: En zij brachten ook de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou
aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelve.
Lk:18:16: Maar Jezus riep dezelve kinderkens tot Zich, en zeide: Laat de
kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het
Koninkrijk Gods.
Lk:18:17: Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als
een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.
Jn:11:1: En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit
het vlek van Maria en haar zuster Martha.
Jn:11:2: (Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn
voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)
Jn:11:3: Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij
liefhebt, is krank.
Jn:11:4: En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar
ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.
Jn:11:5: Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.
Jn:11:6: Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee
dagen in de plaats, waar Hij was.
Jn:11:7: Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judea
gaan.
Jn:11:8: De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs
gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?
Jn:11:9: Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in
den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld
ziet;
Jn:11:10: Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits
het licht in hem niet is.
Jn:11:11: Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend,
slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.
Jn:11:12: Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij
gezond worden.
Jn:11:13: Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij
sprak van de rust des slaaps.
Jn:11:14: Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.
Jn:11:15: En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij
geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.
Jn:11:16: Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons
ook gaan, opdat wij met Hem sterven.
Jn:11:17: Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf
geweest was.
Jn:11:18: (Bethanie nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadien van daar.)
Jn:11:19: En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij
haar vertroosten zouden over haar broeder.
Jn:11:20: Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch
Maria bleef in huis zitten.
Jn:11:21: Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware
mijn broeder niet gestorven;
Jn:11:22: Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U
het geven zal.
Jn:11:23: Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.
Jn:11:24: Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding
ten laatsten dage.
Jn:11:25: Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij
gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;
Jn:11:26: En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der
eeuwigheid. Gelooft gij dat?
Jn:11:27: Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de
Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.
Jn:11:28: En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster,
heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.
Jn:11:29: Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.
Jn:11:30: (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats,
waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)
Jn:11:31: De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten,
ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij
gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.
Jn:11:32: Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn
voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn
broeder niet gestorven.
Jn:11:33: Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen,
ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;
Jn:11:34: En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en
zie het.
Jn:11:35: Jezus weende.
Jn:11:36: De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!
Jn:11:37: En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend
heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?
Jn:11:38: Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het
graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.
Jn:11:39: Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen,
zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.
Jn:11:40: Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij
de heerlijkheid Gods zien zult?
Jn:11:41: Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de
ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.
Jn:11:42: Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die
rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden
hebt.
Jn:11:43: En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom
uit!
Jn:11:44: En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met
grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot
hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.
Jn:12:1: Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanie, daar Lazarus
was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden.
Jn:12:2: Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en
Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten.
Jn:12:3: Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer
kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn
voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf.
Jn:12:4: Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon,
Iskariot, die Hem verraden zou:
Jn:12:5: Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den
armen gegeven?
Jn:12:6: En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat
hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.
Jn:12:7: Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag
Mijner begrafenis.
Jn:12:8: Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet
altijd.
Mt:21:1: En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage,
aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:
Mt:21:2: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een
ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot
Mij.
Mt:21:3: En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van
node heeft, en hij zal ze terstond zenden.
Mt:21:4: Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is
door den profeet, zeggende:
Mt:21:5: Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en
gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin.
Mt:21:6: En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus
hun bevolen had,
Mt:21:7: Brachten de ezelin en het veulen, en leiden hun klederen op dezelve, en
zetten Hem daarop.
Mt:21:8: En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen
hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg.
Mt:21:9: En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna
den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de
hoogste hemelen!
Jn:13:1: En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure
gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de
Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot
het einde.
Jn:13:2: En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivel in het hart van
Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou),
Jn:13:3: Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had,
en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging,
Jn:13:4: Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een
linnen doek, omgordde Zichzelven.
Jn:13:5: Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen
te wassen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was.
Jn:13:6: Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij
mij de voeten wassen?
Jn:13:7: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar
gij zult het na dezen verstaan.
Jn:13:8: Petrus zeide tot Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der
eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met
Mij.
Jn:13:9: Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de
handen en het hoofd.
Jn:13:10: Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de
voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.
Jn:13:11: Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet
allen rein.
Jn:13:12: Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij
wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb?
Jn:13:13: Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het.
Jn:13:14: Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt
gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen.
Jn:13:15: Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan
heb, gijlieden ook doet.
Jn:13:16: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn
heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft.
Jn:13:17: Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.
Mk:14:22: En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij
het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
Mk:14:23: En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij
dronken allen uit denzelven.
Mk:14:24: En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen
Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.
Mt:26:36: Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide
tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden
hebben.
Mt:26:37: En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeus, begon Hij
droevig en zeer beangst te worden.
Mt:26:38: Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe;
blijft hier en waakt met Mij.
Mt:26:39: En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht,
biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker
van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
Mt:26:40: En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot
Petrus: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken?
Mt:26:41: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel
gewillig, maar het vlees is zwak.
Mt:26:42: Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader!
Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke,
Uw wil geschiede!
Mt:26:43: En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren
bezwaard.
Mt:26:44: En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male,
zeggende dezelfde woorden.
Mt:26:45: Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort,
en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd
in de handen der zondaren.
Mt:26:46: Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.
Mt:26:47: En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en
met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters
en ouderlingen des volks.
Mt:26:48: En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal
kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.
Mt:26:49: En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij
kuste Hem.
Mt:26:50: Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen
zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
Mt:26:1: En het is geschied, als Jezus al deze woorden geeindigd had, dat Hij
tot Zijn discipelen zeide:
Mt:26:2: Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal
overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.
Mt:26:3: Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de
ouderlingen des volks, in de zaal des hogepriesters, die genaamd was Kajafas;
Mt:26:4: En zij beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en
doden zouden.
Mt:26:5: Doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder
het volk.
Mt:26:6: Als nu Jezus te Bethanie was, ten huize van Simon, den melaatse,
Mt:26:7: Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke
zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.
Mt:26:8: En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende:
Waartoe dit verlies?
Mt:26:9: Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen
gegeven worden.
Mt:26:10: Maar Jezus, zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze
vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.
Mt:26:11: Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.
Mt:26:12: Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het
gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.
Mt:26:13: Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de
gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen
zij gedaan heeft.
Mt:26:14: Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de
overpriesters,
Mt:26:15: En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij
hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.
Mt:26:16: En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.
Mt:26:17: En op den eersten dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot
Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten?
Mt:26:18: En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De
Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn
discipelen.
Mt:26:19: En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het
pascha.
Mt:26:20: En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.
Mt:26:21: En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, Mij
zal verraden.
Mt:26:22: En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot
Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?
Mt:26:23: En Hij, antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel
indoopt, die zal Mij verraden.
Mt:26:24: De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar
wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed,
zo die mens niet geboren was geweest.
Mt:26:25: En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij
zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.
Mt:26:26: En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij
het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.
Mt:26:27: En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien,
zeggende: Drinkt allen daaruit;
Mt:26:28: Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor
velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.
Mt:26:29: En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des
wijnstoks tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het
Koninkrijk Mijns Vaders.
Mt:26:30: En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den
Olijfberg.
Mt:26:31: Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geergerd worden in
dezen nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der
kudde zullen verstrooid worden.
Mt:26:32: Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
Mt:26:33: Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan
U geergerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.
Mt:26:34: Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden
nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
Mt:26:35: Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U
geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.
Mt:26:36: Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot
de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.
Mt:26:37: En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeus, begon Hij
droevig en zeer beangst te worden.
Mt:26:38: Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe;
blijft hier en waakt met Mij.
Mt:26:39: En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht,
biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker
van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
Mt:26:40: En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot
Petrus: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken?
Mt:26:41: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel
gewillig, maar het vlees is zwak.
Mt:26:42: Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader!
Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke,
Uw wil geschiede!
Mt:26:43: En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren
bezwaard.
Mt:26:44: En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male,
zeggende dezelfde woorden.
Mt:26:45: Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort,
en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd
in de handen der zondaren.
Mt:26:46: Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.
Mt:26:47: En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met
hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en
ouderlingen des volks.
Mt:26:48: En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal
kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.
Mt:26:49: En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij
kuste Hem.
Mt:26:50: Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen
zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
Mt:26:51: En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende,
trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn
oor af.
Mt:26:52: Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want
allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
Mt:26:53: Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij
meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?
Mt:26:54: Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo
geschieden moet?
Mt:26:55: Terzelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als
tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat
Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;
Mt:26:56: Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden
vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.
Mt:26:57: Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den
hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.
Mt:26:58: En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en
binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.
Mt:26:59: En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad
zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden
niet.
Mt:26:60: En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij toch
niet.
Mt:26:61: Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft
gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.
Mt:26:62: En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat
getuigen dezen tegen U?
Mt:26:63: Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot
Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de
Christus, de Zoon van God?
Mt:26:64: Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu
aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht
Gods, en komende op de wolken des hemels.
Mt:26:65: Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft
God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods
lastering gehoord.
Mt:26:66: Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods
schuldig.
Mt:26:67: Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.
Mt:26:68: En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons,
Christus, wie is het, die U geslagen heeft?
Mt:26:69: En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem,
zeggende: Gij waart ook met Jezus, den Galileer.
Mt:26:70: Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij
zegt.
Mt:26:71: En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd,
en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazarener.
Mt:26:72: En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens
niet.
Mt:26:73: En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus:
Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.
Mt:26:74: Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.
Mt:26:75: En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van
Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij
driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.
Mt:27:1: Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en
de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden
zouden.
Mt:27:2: En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan
Pontius Pilatus, den stadhouder.
Mt:27:3: Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld
was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en
den ouderlingen wedergebracht,
Mt:27:4: Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij
zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.
Mt:27:5: En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok
hij, en heengaande verworgde zichzelven.
Mt:27:6: En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet
geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds
is.
Mt:27:7: En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des
pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.
Mt:27:8: Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen
dag.
Mt:27:9: Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet
Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde
des Gewaardeerden van de kinderen Israels, Denwelken zij gewaardeerd hebben;
Mt:27:10: En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens
hetgeen mij de Heere bevolen heeft.
Mt:27:11: En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem,
zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.
Mt:27:12: En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd,
antwoordde Hij niets.
Mt:27:13: Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U
getuigen?
Mt:27:14: Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder
zich zeer verwonderde.
Mt:27:15: En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los
te laten, welken zij wilden.
Mt:27:16: En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genaamd Bar-abbas.
Mt:27:17: Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij,
dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?
Mt:27:18: Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.
Mt:27:19: En als hij op den rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem
gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb
heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.
Mt:27:20: Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden,
dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.
Mt:27:21: En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welken van deze twee
wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.
Mt:27:22: Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd
wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.
Mt:27:23: Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij
riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!
Mt:27:24: Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er
oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben
onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
Mt:27:25: En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over
onze kinderen.
Mt:27:26: Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij
Hem over om gekruisigd te worden.
Mt:27:27: Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het
rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende.
Mt:27:28: En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;
Mt:27:29: En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn
hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem,
bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!
Mt:27:30: En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn
hoofd.
Mt:27:31: En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden
Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.
Mt:27:32: En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; dezen
dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.
Mt:27:33: En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd
Hoofdschedelplaats,
Mt:27:34: Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien
gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
Mt:27:35: Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het
lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij
hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding
geworpen.
Mt:27:36: En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.
Mt:27:37: En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS
JEZUS, DE KONING DER JODEN.
Mt:27:38: Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-,en
een ter linker zijde.
Mt:27:39: En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden.
Mt:27:40: En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt,
verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.
Mt:27:41: En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en
ouderlingen, en Farizeen, Hem bespottende, zeiden:
Mt:27:42: Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien
Hij de Koning Israels is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem
geloven.
Mt:27:43: Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel
wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
Mt:27:44: En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd
waren.
Mt:27:45: En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot
de negende ure toe.
Mt:27:46: En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI,
ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!
Mt:27:47: En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept
Elias.
Mt:27:48: En terstond een van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik
gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.
Mt:27:49: Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om Hem
te verlossen.
Mt:27:50: En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.
Mt:27:51: En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot
beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.
Mt:27:52: En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die
ontslapen waren, werden opgewekt;
Mt:27:53: En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in
de heilige stad, en zijn velen verschenen.
Mt:27:54: En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de
aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende:
Waarlijk, Deze was Gods Zoon!
Mt:27:55: En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus
gevolgd waren van Galilea, om Hem te dienen.
Mt:27:56: Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en
Joses, en de moeder der zonen van Zebedeus.
Mt:27:57: En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met
name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.
Mt:27:58: Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval
Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden.
Mt:27:59: En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn
lijnwaad.
Mt:27:60: En leide dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots
uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende,
ging hij weg.
Mt:27:61: En aldaar was Maria Magdalena, en de andere Maria, zittende tegenover
het graf.
Mt:27:62: Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de
overpriesters en de Farizeen tot Pilatus,
Mt:27:63: Zeggende: Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende,
gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan.
Mt:27:64: Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat
Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het
volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste dwaling erger zijn,
dan de eerste.
Mt:27:65: En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen,
verzekert het, gelijk gij het verstaat.
Mt:27:66: En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen
verzegeld hebbende.
Mk:14:27: En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan Mij
geergerd worden; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen
zullen verstrooid worden.
Mk:14:28: Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
Mk:14:29: En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geergerd wierden, zo zal ik
toch niet geergerd worden.
Mk:14:30: En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht,
eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.
Mk:14:31: Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U
geenszins verloochenen! En insgelijks zeiden zij ook allen.
Mk:14:66: En als Petrus beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden
des hogepriesters;
Mk:14:67: En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij
waart met Jezus den Nazarener.
Mk:14:68: Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet
niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide.
Mk:14:69: En de dienstmaagd, hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen,
die daarbij stonden: Deze is een van die.
Mk:14:70: Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, die daarbij
stonden, zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die; want gij
zijt ook een Galileer, en uw spraak gelijkt.
Mk:14:71: En hij begon zichzelven te vervloeken en te zweren: Ik ken dezen Mens
niet, Dien gij zegt.
Mk:14:72: En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord,
hetwelk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult
gij Mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende.
Mk:15:16: En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het
rechthuis, en riepen de ganse bende samen;
Mk:15:17: En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten
hebbende, zetten Hem die op;
Mk:15:18: En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der
Joden!
Mk:15:19: En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende
op de knieen, aanbaden Hem.
Lk:23:26: En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
Mk:16:1: En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en
Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en
Hem zalfden.
Mk:16:2: En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als
de zon opging;
Mk:16:3: En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs
afwentelen?
Mk:16:4: (En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer
groot.
Mk:16:5: En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter
rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd.
Mk:16:6: Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den
Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats,
waar zij Hem gelegd hadden.
Mk:16:7: Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat
naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.
Mk:16:8: En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en
ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren
bevreesd.
Mk:16:9: En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der
week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen
uitgeworpen had.
Mk:16:10: Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren,
welke treurden en weenden.
Mk:16:11: En als dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was,
geloofden zij het niet.
Mk:16:12: En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van
hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen.
Mk:16:13: Dezen, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij
geloofden ook die niet.
Mk:16:14: Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet
hun hun ongelovigheid en hardigheid des harten, omdat zij niet geloofd hadden
degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was.
Mk:16:15: En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het
Evangelie aan alle kreaturen.
Mk:16:16: Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar
die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
Mk:16:17: En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in
Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.
Mk:16:18: Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks
zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen
leggen, en zij zullen gezond worden.
Mk:16:19: De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den
hemel, en is gezeten aan de rechter hand Gods.
Mk:16:20: En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede,
en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.
Lk:23:1: En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.
Lk:23:2: En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat
Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende,
dat Hij Zelf Christus, de Koning is.
Lk:23:3: En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij
antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.
Lk:23:4: En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen
schuld in dezen Mens.
Lk:23:5: En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende
door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.
Lk:23:6: Als nu Pilatus van Galilea hoorde, vraagde hij, of die Mens een
Galileer was?
Lk:23:7: En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem
heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.
Lk:23:8: En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over
lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig
teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.
Lk:23:9: En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.
Lk:23:10: En de overpriesters en de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden
Hem heftiglijk.
Lk:23:11: En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed
Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.
Lk:23:12: En op denzelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander;
want zij waren te voren in vijandschap tegen den anderen.
Lk:23:13: En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk
bijeengeroepen had, zeide hij tot hen:
Lk:23:14: Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig
maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen
Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;
Lk:23:15: Ja, ook Herodes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet,
er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.
Lk:23:16: Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
Lk:23:17: En hij moest hun op het feest een loslaten.
Lk:23:18: Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat
ons Bar-abbas los.
Lk:23:19: Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een
doodslag, in de gevangenis geworpen.
Lk:23:20: Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.
Lk:23:21: Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!
Lk:23:22: En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads
gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan
kastijden en loslaten.
Lk:23:23: Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist
worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger.
Lk:23:24: En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.
Lk:23:25: En hij liet hun los dengene, die om oproer en doodslag in de
gevangenis geworpen was, welken zij geeist hadden; maar Jezus gaf hij over tot
hun wil.
Lk:23:26: En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van
den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
Lk:23:27: En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook
weenden en Hem beklaagden.
Lk:23:28: En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem!
weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.
Lk:23:29: Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de
onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet
gezoogd hebben.
Lk:23:30: Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en
tot de heuvelen: Bedekt ons.
Lk:23:31: Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre
geschieden?
Lk:23:32: En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem
gedood te worden.
Lk:23:33: En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedel plaats,
kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter zijde en den
ander ter linker zijde.
Lk:23:34: En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij
doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
Lk:23:35: En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen
beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven
verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.
Lk:23:36: En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten
Hem edik;
Lk:23:37: En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.
Lk:23:38: En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en
Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.
Lk:23:39: En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende:
Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.
Lk:23:40: Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook
God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
Lk:23:41: En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig
hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
Lk:23:42: En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk
zult gekomen zijn.
Lk:23:43: En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in
het Paradijs zijn.
Lk:23:44: En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele
aarde, tot de negende ure toe.
Lk:23:45: En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde
midden door.
Lk:23:46: En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel
Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.
Lk:23:47: Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was,
verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.
Lk:23:48: En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende
de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.
Lk:23:49: En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te
zamen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.
Lk:23:50: En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en
rechtvaardig man,
Lk:23:51: (Deze had niet mede bewilligd in hun raad en handel) van Arimathea,
een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte;
Lk:23:52: Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.
Lk:23:53: En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad,
en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd
was.
Lk:23:54: En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.
Lk:23:55: En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galilea, volgden na
en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd.
Lk:23:56: En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den
sabbat rustten zij naar het gebod.
Jn:19:1: Toen nam Pilatus dan Jezus, en geselde Hem.
Jn:19:2: En de krijgsknechten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten
die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om;
Jn:19:3: En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En zij gaven Hem
kinnebakslagen.
Jn:19:4: Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Ziet, ik breng Hem tot
ulieden uit, opdat gij wetet, dat ik in Hem geen schuld vinde.
Jn:19:5: Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en het purperen kleed. En
Pilatus zeide tot hen: Ziet, de Mens!
Jn:19:6: Als Hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij,
zeggende: Kruis Hem, kruis Hem; Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem en
kruist Hem; want ik vind in Hem geen schuld.
Jn:19:7: De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij
sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.
Jn:19:8: Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd;
Jn:19:9: En ging wederom in het rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt
Gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Jn:19:10: Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet,
dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?
Jn:19:11: Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u
niet van boven gegeven ware; daarom die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft
groter zonde.
Jn:19:12: Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen,
zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een
iegelijk, die zichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer.
Jn:19:13: Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder
op den rechterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrotos, en in het Hebreeuws
Gabbatha.
Jn:19:14: En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure;
en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!
Jn:19:15: Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen:
Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen
koning, dan den keizer.
Jn:19:16: Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij
namen Jezus, en leidden Hem weg.
Jn:19:17: En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd
Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha;
Jn:19:18: Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een,
en Jezus in het midden.
Jn:19:19: En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er
was geschreven: JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN.
Jn:19:20: Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus
gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het
Grieks, en in het Latijn.
Jn:19:21: De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De
Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.
Jn:19:22: Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.
Jn:19:23: De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn
klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok.
De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.
Jn:19:24: Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat
ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die
zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben
zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.
Jn:19:25: En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders
zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.
Jn:19:26: Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel, dien Hij liefhad,
daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.
Jn:19:27: Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan
nam haar de discipel in zijn huis.
Jn:19:28: Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift
zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.
Jn:19:29: Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en
omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.
Jn:19:30: Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En
het hoofd buigende, gaf den geest.
Jn:19:31: De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op
den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag des sabbats was
groot), baden Pilatus, dat hun benen zouden gebroken, en zij weggenomen worden.
Jn:19:32: De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de benen des eersten, en
des anderen, die met Hem gekruist was;
Jn:19:33: Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo
braken zij Zijn benen niet.
Jn:19:34: Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en
terstond kwam er bloed en water uit.
Jn:19:35: En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is
waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven
moogt.
Jn:19:36: Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen
been van Hem zal verbroken worden.
Jn:19:37: En wederom zegt een andere Schrift: Zij zullen zien, in Welken zij
gestoken hebben.
Jn:19:38: En daarna Jozef van Arimathea (die een discipel
van Jezus was, maar bedekt om de vreze der Joden), bad Pilatus, dat hij mocht
het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het
lichaam van Jezus weg.
Jn:19:39: En Nicodemus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was),
brengende een mengsel van mirre en aloe; omtrent honderd ponden gewichts.
Jn:19:40: Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken
met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.
Jn:19:41: En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in den hof
een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest.
Jn:19:42: Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits
het graf nabij was.
Mt:28:1: En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten
dag der week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien.
Mt:28:2: En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren,
nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde den steen af van de deur, en
zat op denzelven.
Mt:28:3: En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk
sneeuw.
Mt:28:4: En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en
werden als doden.
Mt:28:5: Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden
niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.
Mt:28:6: Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt
herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.
Mt:28:7: En gaat haastelijk henen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is
van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien.
Ziet, ik heb het ulieden gezegd.
Mt:28:8: En haastelijk uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap,
liepen zij henen, om hetzelve Zijn discipelen te boodschappen.
Mt:28:9: En als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus
is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij, tot Hem komende, grepen Zijn
voeten, en aanbaden Hem.
Mt:28:10: Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt Mijn
broederen, dat zij heengaan naar Galilea, en aldaar zullen zij Mij zien.
Mt:28:11: En als zij heengingen, ziet, enigen van de wacht kwamen in de stad, en
boodschapten den overpriesters al de dingen, die geschied waren.
Mt:28:12: En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en te zamen raad genomen
hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel gelds,
Mt:28:13: En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben
Hem gestolen, als wij sliepen.
Mt:28:14: En indien zulks komt gehoord te worden van den stadhouder, wij zullen
hem tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt.
Mt:28:15: En zij, het geld genomen hebbende, deden, gelijk zij geleerd waren. En
dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag.
Mt:28:16: En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar den berg, waar
Jezus hen bescheiden had.
Mt:28:17: En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.
Mt:28:18: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven
alle macht in hemel en op aarde.
Mt:28:19: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam
des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden
alles, wat Ik u geboden heb.
Mt:28:20: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.
Amen.
Jn:20:1: En op den eersten dag der week ging Maria Magdalena vroeg, als het
nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen.
Jn:20:2: Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel,
welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het
graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben.
Jn:20:3: Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf.
Jn:20:4: En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit,
sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf.
Jn:20:5: En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen; nochtans ging hij er
niet in.
Jn:20:6: Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de
doeken liggen.
Jn:20:7: En den zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de
doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold.
Jn:20:8: Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf
gekomen was, en zag het, en geloofde.
Jn:20:9: Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest
opstaan.
Jn:20:10: De discipelen dan gingen wederom naar huis.
Jn:20:11: En Maria stond buiten bij het graf, wenende.
Als zij dan weende, bukte zij in het graf;
Jn:20:12: En zag twee engelen in witte klederen zitten, een aan het hoofd, en
een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.
Jn:20:13: En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat
zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.
Jn:20:14: En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus
staan, en zij wist niet, dat het Jezus was.
Jn:20:15: Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij,
menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weg gedragen
hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.
Jn:20:16: Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem:
Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester.
Jn:20:17: Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet
opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op
tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.
Jn:20:18: Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere
gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.
Jn:20:19: Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de
deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden,
kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
Jn:20:20: En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De
discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.
Jn:20:21: Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij
de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden.
Jn:20:22: En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen:
Ontvangt den Heiligen Geest.
Jn:20:23: Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij
iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.
Jn:20:24: En Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen
Jezus daar kwam.
Jn:20:25: De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien.
Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen,
en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde,
ik zal geenszins geloven.
Jn:20:26: En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met
hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en
zeide: Vrede zij ulieden!
Jn:20:27: Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen,
en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar
gelovig.
Jn:20:28: En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!
Jn:20:29: Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij
geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen
geloofd hebben.
Jn:20:30: Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid
Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;
Jn:20:31: Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de
Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.
Jn:21:1: Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de
zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:
Jn:21:2: Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en
Nathanael, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeus, en twee
anderen van Zijn discipelen.
Jn:21:3: Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan
ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht
vingen zij niets.
Jn:21:4: En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch
de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.
Jn:21:5: Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij
antwoordden Hem: Neen.
Jn:21:6: En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip,
en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken
vanwege de menigte der vissen.
Jn:21:7: De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de
Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed
(want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee.
Jn:21:8: En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet
verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de
vissen.
Jn:21:9: Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen,
en vis daarop liggen, en brood.
Jn:21:10: Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt.
Jn:21:11: Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen,
tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net
niet.
Jn:21:12: Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand
van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere
was.
Jn:21:13: Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis
desgelijks.
Jn:21:14: Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is,
nadat Hij van de doden opgewekt was.
Jn:21:15: Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon
Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem:
Ja, Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.
Jn:21:16: Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas,
hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb. Hij
zeide tot hem: Hoed Mijn schapen.
Jn:21:17: Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij
lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij
Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U
liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
Jn:21:18: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij
uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden
zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen,
waar gij niet wilt.
Jn:21:19: En dit zeide Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God
verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij.
Jn:21:20: En Petrus, zich omkerende, zag den discipel volgen, welken Jezus
liefhad, die ook in het avondmaal op Zijn borst gevallen was, en gezegd had:
Heere! wie is het, die U verraden zal?
Jn:21:21: Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze?
Jn:21:22: Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome,
wat gaat het u aan? Volg gij Mij.
Jn:21:23: Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zou
sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar:
Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan?
Jn:21:24: Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen
geschreven heeft; en wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is.
Jn:21:25: En er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zo
zij elk bijzonder geschreven wierden, ik acht, dat ook de wereld zelve de
geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen.
Lk:24:1: En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond,
gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en
sommigen met haar.
Lk:24:2: En zij vonden den steen afgewenteld van het graf.
Lk:24:3: En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet.
Lk:24:4: En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee
mannen stonden bij haar in blinkende klederen.
Lk:24:5: En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde
neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?
Lk:24:6: Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u
gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,
Lk:24:7: Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der
zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.
Lk:24:8: En zij werden indachtig Zijner woorden.
Lk:24:9: En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen
aan de elven, en aan al de anderen.
Lk:24:10: En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van
Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.
Lk:24:11: En haar woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden
haar niet.
Lk:24:12: Doch Petrus opstaande, liep tot het graf, en nederbukkende, zag hij de
linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven
van hetgeen geschied was.
Lk:24:13: En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat
zestig stadien van Jeruzalem was, welks naam was Emmaus;
Lk:24:14: En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd
waren.
Lk:24:15: En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander
ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.
Lk:24:16: En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.
Lk:24:17: En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder
elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?
Lk:24:18: En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zeide tot Hem: Zijt
Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen
daarin geschied zijn?
Lk:24:19: En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen
aangaande Jezus den Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en
woorden, voor God en al het volk.
Lk:24:20: En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben
tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.
Lk:24:21: En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israel verlossen zou. Doch
ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied
zijn.
Lk:24:22: Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den
morgenstond aan het graf geweest zijn;
Lk:24:23: En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een
gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.
Lk:24:24: En sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en
bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.
Lk:24:25: En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te
geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
Lk:24:26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn
heerlijkheid ingaan?
Lk:24:27: En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun
uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.
Lk:24:28: En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en Hij hield
Zich, alsof Hij verder gaan zou.
Lk:24:29: En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij den
avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
Lk:24:30: En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en
zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.
Lk:24:31: En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun
gezicht.
Lk:24:32: En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als
Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?
Lk:24:33: En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem, en
vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;
Lk:24:34: Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.
Lk:24:35: En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun
bekend was geworden in het breken des broods.
Lk:24:36: En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van
hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
Lk:24:37: En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij
een geest zagen.
Lk:24:38: En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke
overleggingen in uw harten?
Lk:24:39: Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan,
en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.
Lk:24:40: En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.
Lk:24:41: En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich
verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?
Lk:24:42: En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.
Lk:24:43: En Hij nam het, en at het voor hun ogen.
Lk:24:44: En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik
nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij
geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.
Lk:24:45: Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Lk:24:46: En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus
lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.
Lk:24:47: En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden,
onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
Lk:24:48: En gij zijt getuigen van deze dingen.
Lk:24:49: En ziet, Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de
stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.
Lk:24:50: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanie, en Zijn handen opheffende,
zegende Hij hen.
Lk:24:51: En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en
werd opgenomen in den hemel.
Lk:24:52: En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote
blijdschap.
Lk:24:53: En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen.
Han:1:4: En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van
Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij,
zeide Hij, van Mij gehoord hebt.
Han:1:5: Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen
Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.
Han:1:6: Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult
Gij in dezen tijd aan Israel het Koninkrijk wederoprichten?
Han:1:7: En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of
gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;
Han:1:8: Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u
komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea
en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.
Han:1:9: En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en
een wolk nam Hem weg van hun ogen.
Han:1:10: En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer,
ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
Han:1:11: Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar
den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen,
gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.
Han:1:12: Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd
wordt de Olijf berg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een
sabbatsreize.
Han:2:1: En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen
eendrachtelijk bijeen.
Han:2:2: En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van
een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
Han:2:3: En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op
een iegelijk van hen.
Han:2:4: En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te
spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
Han:2:5: En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen
volke dergenen, die onder den hemel zijn.
Han:2:6: En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd,
want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
Han:2:7: En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot
elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers?
Han:2:8: En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij
geboren zijn?
Han:2:9: Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie,
en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie.
Han:2:10: En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij
Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
Han:2:11: Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken
Gods spreken.
Han:2:12: En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een
tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?
Han:2:13: En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
Han:2:14: Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot
hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend,
en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
Han:2:15: Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de
derde ure van de dag.
Han:2:16: Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel:
Han:2:17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van
Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw
jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
Han:2:18: En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die
dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
Han:2:19: En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde
beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
Han:2:20: De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer
dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
Han:2:21: En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal
aanroepen, zalig zal worden.
Han:2:22: Gij Israelietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener,
een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen,
die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;
Han:2:23: Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde,
hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht
en gedood;
Han:2:24: Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende,
alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
Han:2:25: Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want
Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde.
Han:2:26: Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn
vlees zal rusten in hope;
Han:2:27: Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige
over geven, om verderving te zien.
Han:2:28: Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij
vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
Han:2:29: Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken
van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is
onder ons tot op dezen dag.
Han:2:30: Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen
had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus
verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
Han:2:31: Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van
Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving
heeft gezien.
Han:2:32: Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
Han:2:33: Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des
Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat
gij nu ziet en hoort.
Han:2:34: Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere
heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand.
Han:2:35: Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
Han:2:36: Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een
Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
Han:2:37: En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden
tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
Han:2:38: En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde
gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de
gave des Heiligen Geestes ontvangen.
Han:2:39: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre
zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
Han:2:40: En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen,
zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
Han:2:41: Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op
dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
Han:2:42: En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de
gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
Han:2:43: En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen
geschiedden door de apostelen.
Han:2:44: En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
Han:2:45: En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan
allen, naar dat elk van node had.
Han:2:46: En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot
huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des
harten;
Han:2:47: En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed
dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
Den vuigen spotter: koning Herodes.