Lk:1:5: In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker
priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de
dochteren van Aaron, en haar naam Elizabet.
Lk:1:6: En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden
en rechten des Heeren, onberispelijk.
Lk:1:7: En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden
verre op hun dagen gekomen waren.
Lk:1:8: En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in
de beurt zijner dagorde.
Lk:1:9: Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen,
dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.
Lk:1:10: En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des
reukoffers.
Lk:1:11: En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde
van het altaar des reukoffers.
Lk:1:12: En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.
Lk:1:13: Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is
verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten
Johannes.
Lk:1:14: En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn
geboorte verblijden.
Lk:1:15: Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank
zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van
zijner moeders lijf aan.
Lk:1:16: En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun God.
Lk:1:17: En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om
te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de
voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.
Lk:1:18: En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben
oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.
Lk:1:19: En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God
sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.
Lk:1:20: En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat
deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd
hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.
Lk:1:21: En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat
hij zo lang vertoefde in den tempel.
Lk:1:22: En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat
hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.
Lk:1:23: En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij
naar zijn huis ging.
Lk:1:26: En in de zesde maand werd de engel Gabriel van God gezonden naar een
stad in Galilea, genaamd Nazareth;
Lk:1:27: Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef,
uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.
Lk:1:28: En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij
begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.
Lk:1:29: En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en
overleide, hoedanig deze groetenis mocht zijn.
Lk:1:30: En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij
God gevonden.
Lk:1:31: En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam
heten JEZUS.
Lk:1:32: Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en
God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.
Lk:1:33: En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns
Koninkrijks zal geen einde zijn.
Lk:1:34: En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man
bekenne?
Lk:1:35: En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u
komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat
Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
Lk:1:36: En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in
haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
Lk:1:37: Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
Lk:1:38: En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw
woord. En de engel ging weg van haar.
Lk:2:7: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en leide Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
Lk:2:8: En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het
veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde.
Lk:2:9: En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des
Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.
Lk:2:10: En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u
grote blijdschap, die al den volke wezen zal;
Lk:2:11: Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de
Heere, in de stad Davids.
Lk:2:12: En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken
gewonden, en liggende in de kribbe.
Lk:2:13: En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen
heirlegers, prijzende God en zeggende:
Lk:2:14: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een
welbehagen.
Lk:2:19: Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.
Lk:2:25: En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en
deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels,
en de Heilige Geest was op hem.
Lk:2:26: En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest,
dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.
Lk:2:27: En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken
Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;
Lk:2:28: Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:
Lk:2:29: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord;
Lk:2:30: Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
Lk:2:31: Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken:
Lk:2:32: Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk
Israel.
Lk:2:33: En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd
werd.
Lk:2:34: En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze
wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat
wedersproken zal worden.
Lk:2:35: (En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit
vele harten geopenbaard worden.
Mt:2:1: Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen
van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem
aangekomen.
Mt:2:2: Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien
Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.
Mt:2:3: De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel
Jeruzalem, met hem.
Mt:2:4: En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des
volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.
Mt:2:5: En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is
geschreven door den profeet:
Mt:2:6: En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de
vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israel
weiden zal.
Mt:2:7: Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk
van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;
Mt:2:8: En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt
naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt
het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.
Mt:2:9: En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster,
die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond
boven de plaats, waar het Kindeken was.
Mt:2:10: Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.
Mt:2:11: En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn
moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten
opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.
Mt:2:12: En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij
niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder
naar hun land.
Mt:2:13: Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.
Mt:2:14: Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;
Mt:2:16: Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
Lk:2:41: En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van
pascha.
Lk:2:42: En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem
opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag;
Lk:2:43: En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het
Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.
Lk:2:44: Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een
dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.
Lk:2:45: En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem
zoekende.
Lk:2:46: En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel,
zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende.
Lk:2:47: En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en
antwoorden.
Lk:2:48: En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem:
Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst
gezocht.
Lk:2:49: En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij
niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?
Lk:2:50: En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.
Lk:2:51: En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En
Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.
Lk:2:52: En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de
mensen.
De Liederen der Optochten (Liederen Hammaδlτth) die men, van Psalm 120 tot 134 ingesloten. In het boek der Psalmen aantreft, werden waarschijnlijk door de tot de Hooge Feesten opgaande menigte gezongen.
Mt:3:1: En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van
Judea,
Mt:3:2: En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij
gekomen.
Mt:3:3: Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet,
zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren,
maakt Zijn paden recht!
Mt:3:4: En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen
gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.
Mt:3:5: Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land
rondom de Jordaan;
Mt:3:6: En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.
Mt:3:7: Hij dan, ziende velen van de Farizeen en Sadduceen tot zijn doop komen,
sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den
toekomenden toorn?
Mt:3:8: Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.
Mt:3:9: En meent niet bij u zelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader;
want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
Mt:3:10: En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom
dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur
geworpen.
Mt:3:11: Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker
dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den
Heiligen Geest en met vuur dopen.
Mt:3:12: Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en
Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur
verbranden.
Mt:3:13: Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van
hem gedoopt te worden.
Mt:3:14: Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt
te worden, en komt Gij tot mij?
Mt:3:15: Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt
ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
Mt:3:16: En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en
ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen,
gelijk een duive, en op Hem komen.
Mt:3:17: En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn
Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
Mk:1:9: En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth,
gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
Mk:1:10: En terstond, als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan,
en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.
Mk:1:11: En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon,
in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
Mt:4:1: Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht
te worden van den duivel.
Mt:4:2: En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten
laatste.
Mt:4:3: En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon
zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.
Mt:4:4: Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood
alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.
Mt:4:5: Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de
tinne des tempels;
Mt:4:6: En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts;
want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op
de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen
aanstoot.
Mt:4:7: Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw
God, niet verzoeken.
Mt:4:8: Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al
de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;
Mt:4:9: En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij,
nedervallende, mij zult aanbidden.
Mt:4:10: Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den
Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.
Mt:4:11: Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en
dienden Hem.
Jn:1:29: Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!
Jn:2:1: En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de
moeder van Jezus was aldaar.
Jn:2:2: En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.
Jn:2:3: En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben
geen wijn.
Jn:2:4: Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog
niet gekomen.
Jn:2:5: Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet
dat.
Jn:2:6: En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der
Joden, elk houdende twee of drie metreten.
Jn:2:7: Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot
boven toe.
Jn:2:8: En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en
zij droegen het.
Jn:2:9: Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en
hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept
hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.
Jn:2:10: En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men
wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu
toe bewaard.
Jn:2:11: Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en
heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.
Jn:2:13: En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.
Jn:2:14: En Hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten,
en de wisselaars daar zittende.
Jn:2:15: En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den
tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte Hij uit,
en keerde de tafelen om.
Jn:2:16: En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen
van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.
Jn:2:17: En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van
Uw huis heeft mij verslonden.
Jn:4:1: Als dan de Heere verstond, dat de Farizeen gehoord hadden, dat Jezus
meer discipelen maakte en doopte dan Johannes;
Jn:4:2: (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen),
Jn:4:3: Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea.
Jn:4:4: En Hij moest door Samaria gaan.
Jn:4:5: Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk
land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf.
Jn:4:6: En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de
reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.
Jn:4:7: Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar:
Geef Mij te drinken.
Jn:4:8: (Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden
spijze kopen.)
Jn:4:9: Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een
Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden
houden geen gemeenschap met de Samaritanen.
Jn:4:10: Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en
Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben
begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.
Jn:4:11: De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de
put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?
Jn:4:12: Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft,
en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?
Jn:4:13: Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water
drinkt, zal wederom dorsten;
Jn:4:14: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal,
dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal
in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.
Jn:4:15: De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet
dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.
Jn:4:16: Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.
Jn:4:17: De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar:
Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man.
Jn:4:18: Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet;
dat hebt gij met waarheid gezegd.
Jn:4:19: De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.
Jn:4:20: Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te
Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.
Jn:4:21: Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer
gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.
Jn:4:22: Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten;
want de zaligheid is uit de Joden.
Jn:4:23: Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader
aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem
alzo aanbidden.
Jn:4:24: God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest
en waarheid.
Jn:4:25: De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt
Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.
Jn:4:26: Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek.
Jn:4:27: En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een
vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij, of: Wat spreekt Gij met
haar?
Jn:4:28: Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide
tot de lieden:
Jn:4:29: Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is
Deze niet de Christus?
Jn:4:30: Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.
Jn:4:31: En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.
Jn:4:32: Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.
Jn:4:33: Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten
gebracht?
Jn:4:34: Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die
Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.
Jn:4:35: Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst?
Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede
wit om te oogsten.
Jn:4:36: En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven;
opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait.
Jn:4:37: Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en
een ander, die maait.
Jn:4:38: Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt;
anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.
Jn:4:39: En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord
der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.
Jn:4:40: Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij
bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen.
Jn:4:41: En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil;
Jn:4:42: En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want
wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de
Zaligmaker der wereld.
Jn:4:43: En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;
Lk:1:1: Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een
verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;
Lk:1:2: Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers
en dienaars des Woords geweest zijn;
Lk:1:3: Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan
naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke
Theofilus!
Lk:1:4: Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen
zijt.
Lk:1:5: In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester,
met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren
van Aaron, en haar naam Elizabet.
Lk:1:6: En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden
en rechten des Heeren, onberispelijk.
Lk:1:7: En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden
verre op hun dagen gekomen waren.
Lk:1:8: En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in
de beurt zijner dagorde.
Lk:1:9: Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen,
dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.
Lk:1:10: En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des
reukoffers.
Mt:5:1: En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij
nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.
Mt:5:2: En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:
Mt:5:3: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der
hemelen.
Mt:5:4: Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
Mt:5:5: Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.
Mt:5:6: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij
zullen verzadigd worden.
Mt:5:7: Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
Mt:5:8: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
Mt:5:9: Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Mt:5:10: Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is
het Koninkrijk der hemelen.
Mt:5:11: Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle
kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.
Mt:5:12: Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo
hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.
Mt:5:13: Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt,
waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten
geworpen, en van de mensen vertreden te worden.
Mt:5:14: Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan
niet verborgen zijn.
Mt:5:15: Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op
een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;
Mt:5:16: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken
mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
Mt:5:17: Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden;
Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.
Mt:5:18: Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er
niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn
geschied.
Mt:5:19: Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo
zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der
hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd
worden in het Koninkrijk der hemelen.
Mt:5:20: Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der
Schriftgeleerden en der Farizeen, dat gij in het Koninkrijk der hemelen
geenszins zult ingaan.
Mt:5:21: Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar
zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.
Mt:5:22: Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal
strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal
strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar
zijn door het helse vuur.
Mt:5:23: Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig
wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;
Mt:5:24: Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met
uw broeder, en komt dan en offert uw gave.
Mt:5:25: Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met
hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter
overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis
geworpen wordt.
Mt:5:26: Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den
laatsten penning zult betaald hebben.
Mt:5:27: Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel
doen.
Mt:5:28: Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren,
die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.
Mt:5:29: Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u;
want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel
geworpen worde.
Mt:5:30: En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want
het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel
geworpen worde.
Mt:5:31: Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een
scheidbrief.
Mt:5:32: Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit
oorzake van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene
zal trouwen, die doet overspel.
Mt:5:33: Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed
niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.
Mt:5:34: Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is
de troon Gods;
Mt:5:35: Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij
Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;
Mt:5:36: Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of
zwart maken;
Mt:5:37: Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is
uit den boze.
Mt:5:38: Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.
Mt:5:39: Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de
rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;
Mt:5:40: En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den
mantel;
Mt:5:41: En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.
Mt:5:42: Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die
van u lenen wil.
Mt:5:43: Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en
uw vijand zult gij haten.
Mt:5:44: Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet
wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u
vervolgen;
Mt:5:45: Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want
Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en
onrechtvaardigen.
Mt:5:46: Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook
de tollenaars niet hetzelfde?
Mt:5:47: En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen?
Doen ook niet de tollenaars alzo?
Mt:5:48: Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is,
volmaakt is.
Mt:6:1: Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen
gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen
is.
Mt:6:2: Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de
geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geeerd
mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.
Mt:6:3: Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw
rechter doet;
Mt:6:4: Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen
ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.
Mt:6:5: En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want
die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te
bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij
hun loon weg hebben.
Mt:6:6: Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten
hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het
verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
Mt:6:7: En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de
heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord
worden.
Mt:6:8: Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt,
eer gij Hem bidt.
Mt:6:9: Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde
geheiligd.
Mt:6:10: Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op
de aarde.
Mt:6:11: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Mt:6:12: En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen
schuldenaren.
Mt:6:13: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw
is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
Mt:6:14: Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse
Vader ook u vergeven.
Mt:6:15: Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw
Vader uw misdaden niet vergeven.
Mt:6:16: En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden;
want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden,
als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
Mt:6:17: Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;
Mt:6:18: Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw
Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het
u in het openbaar vergelden.
Mt:6:19: Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest
verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;
Mt:6:20: Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest
verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;
Mt:6:21: Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Mt:6:22: De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo
zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
Mt:6:23: Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn.
Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis
zelve zijn!
Mt:6:24: Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den
anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij
kunt niet God dienen en den Mammon.
Mt:6:25: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat
gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven
niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?
Mt:6:26: Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch
verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij
dezelve niet zeer veel te boven?
Mt:6:27: Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte
toedoen?
Mt:6:28: En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds,
hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
Mt:6:29: En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed
geweest, gelijk een van deze.
Mt:6:30: Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven
geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij
kleingelovigen?
Mt:6:31: Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen
wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?
Mt:6:32: Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat
gij al deze dingen behoeft.
Mt:6:33: Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze
dingen zullen u toegeworpen worden.
Mt:6:34: Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het
zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.
Mt:7:1: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
Mt:7:2: Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met
welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.
Mt:7:3: En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den
balk, die in uw oog is, merkt gij niet?
Mt:7:4: Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter
uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?
Mt:7:5: Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien,
om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.
Mt:7:6: Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de
zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich
omkerende, u verscheuren.
Mt:7:7: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u
zal opengedaan worden.
Mt:7:8: Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en
die klopt, dien zal opengedaan worden.
Mt:7:9: Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem
een steen zal geven?
Mt:7:10: En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?
Mt:7:11: Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven,
hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen,
die ze van Hem bidden!
Mt:7:12: Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij
hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.
Mt:7:13: Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg,
die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;
Mt:7:14: Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en
weinigen zijn er, die denzelven vinden.
Mt:7:15: Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u
komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.
Mt:7:16: Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van
doornen, of vijgen van distelen?
Mt:7:17: Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade
boom brengt voort kwade vruchten.
Mt:7:18: Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade
boom goede vruchten voortbrengen.
Mt:7:19: Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en
in het vuur geworpen.
Mt:7:20: Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.
Mt:7:21: Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het
Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de
hemelen is.
Mt:7:22: Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet
in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele
krachten gedaan?
Mt:7:23: En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg
van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
Mt:7:24: Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal
Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd
heeft;
Mt:7:25: En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en
de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is
niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.
Mt:7:26: En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die
zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd
heeft;
Mt:7:27: En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en
de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is
gevallen, en zijn val was groot.
Mt:7:28: En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de
scharen zich ontzetten over Zijn leer;
Mt:7:29: Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de
Schriftgeleerden.
Mt:8:23: En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen
gevolgd.
Mt:8:24: En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het
schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.
Mt:8:25: En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende:
Heere, behoed ons, wij vergaan!
Mt:8:26: En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen?
Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.
Mt:8:27: En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook
de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!
Mt:9:1: En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En
ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.
Mt:9:2: En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees
welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.
Mt:9:3: En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze
lastert God.
Mt:9:4: En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw
harten?
Mt:9:5: Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen:
Sta op en wandel?
Mt:9:6: Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de
aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw
bed op, en ga heen naar uw huis.
Mt:9:7: En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.
Mt:9:8: De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt,
die zodanige macht den mensen gegeven had.
Mk:2:1: En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het
werd gehoord, dat Hij in huis was.
Mk:2:2: En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen
omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.
Mk:2:3: En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier
gedragen werd.
Mk:2:4: En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het
dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder,
daar de geraakte op lag.
Mk:2:5: En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden
zijn u vergeven.
Mk:2:6: En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun
harten:
Mk:2:7: Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan
alleen God?
Mk:2:8: En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven
overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?
Mk:2:9: Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven,
of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?
Mk:2:10: Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de
zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):
Mk:2:11: Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.
Mk:2:12: En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij
uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten
God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!
Mk:2:13: En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem,
en Hij leerde hen.
Mk:5:22: En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus;
en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,
Mk:5:23: En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid
U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal
leven.
Mk:5:24: En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen
Hem.
Mk:5:35: Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der
synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog
moeilijk?
Mk:5:36: En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd,
zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.
Mk:5:37: En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en
Johannes, den broeder van Jakobus;
Mk:5:38: En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en
degenen, die zeer weenden en huilden.
Mk:5:39: En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat
weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.
Mk:5:40: En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam
bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging
binnen, waar het kind lag.
Mk:5:41: En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi!
hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.
Mk:5:42: En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf
jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.
Mk:5:43: En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat
men haar zou te eten geven.
Mt:11:2: En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van
Christus, zond twee van zijn discipelen;
Mt:11:3: En zeide tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een
anderen?
Mt:11:4: En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes
weder, hetgeen gij hoort en ziet:
Mt:11:5: De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden
gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het
Evangelie verkondigd.
Mt:11:6: En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden.
Mk:6:17: Want dezelve Herodes, enigen uitgezonden hebbende, had Johannes
gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias, de
huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.
Mk:6:18: Want Johannes zeide tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw
uws broeders te hebben.
Mk:6:19: En Herodias legde op hem toe; en wilde hem doden, en konde niet;
Mk:6:20: Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en
heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele
dingen, en hoorde hem gaarne.
Mk:6:21: En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes, op den dag
zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over
duizend, en de voornaamsten van Galilea;
Mk:6:22: En als de dochter van dezelve Herodias inkwam, en danste, en Herodes en
dengenen, die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje:
Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.
Mk:6:23: En hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, ook
tot de helft mijns koninkrijks!
Mk:6:24: En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En
die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.
Mk:6:25: En zij, terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het geeist,
zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van
Johannes den Doper.
Mk:6:26: En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eden, en
degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar hetzelve niet afslaan.
Mk:6:27: En de koning zond terstond een scherprechter, en gebood zijn hoofd te
brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;
Mk:6:28: En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en
het dochtertje gaf hetzelve harer moeder.
Mk:6:29: En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood
lichaam weg, en legden dat in een graf.