RIJMBIJBEL.

DE DOOPER IN DE GEVANGENIS.

MATTH. XI. v. 2 - 6.

Johannes zendt zijn boden tot
Den eengeboren Zoon van God;
Bij heeft van Jezus krachtig woord
En van zijn wonderdaden gehoord;
„Maar waarom dan aanvaardt Hij niet
Den schepter en het rijksgebied?”

Zoo dacht hij, in zijn vromen waan.
Hem was het woord niet kond gedaan,
Dat Jezus tot de zijnen sprak,
Als hij hun stijgende eerzucht brak:
„Het godsrijk komt niet met vertoon,
„Het godsrijk wil geen aardschen troon.”

Helaas! gevangen en bewaard,
Sluit bij zijn levensloop op aard.
Maar ’t grieft hem diep dat nimmermeer
Zijn oog aanschouwen zal den Heer;
Dies zendt hij boden, die het woord
Hem brengen, uit zijn mond gehoord.

De Heiland blikt de scharen rond;
„Gaat henen!” spreekt zijn heusche mond,
„Gaat benen; zegt Johannes aan,
„Wat gij gezien hebt en verstaan:
„De blinden zien; de kreuplen gaan;
„De de oven hooren me ijvrig aan;
„De smet laat van melaatschen af;
„De dooden rijzen uit hun graf;
„ De Blijde Boodschap klinkt in de ooren
„Van armen, zalig haar te hooren.”

Zij gaan. Dit antwoord was genoeg,
Was alles wat Johannes vroeg;
Het was een laatst verkwikkend woord,
Nog op den rand des grafs gehoord;
Ja, stervend had hij ’t nog vernomen:
Het rijk des Heeren was gekomen.


Ingezonden op: 19 July 2001