RIJMBIJBEL.

DE DROOM.

MATTH. II. v. 13.

De boosheid waakt, die ’t kwade doet,
Maar God opdat hij ’t kwaad verhoed’;
Hij ziet haar op haar donkre wegen;
Zij pleeg haar sluwe listen raad,
Zij strekk’ de hand ter euveldaad,
Nog keert zijn goedheid het ten zegen.

Schoon zij zich onbeteugeld acht,
God zet de perken voor haar macht.
Hoog is haar driest geweld geklommen;
Hok spreekt: zij buigt den trotschen Kop;
Luid heft haar stem den bloedkreet op:
Een enkle wenk — hij moet verstommen.

Herodes zint op gruweldaân.
De Wijzen spreekt hij vleiende aan,
Opdat zijn list zijn snoodheid dekke:
„Gaat, zoekt het koninklijke kind,
„En brengt mij kondschap waar gij ’t vindt,
„Dat ik eerbiedig derwaarts trekke.”

Maar neen! die helsche list mislukt.
De Wijzen, van het Kind verrukt,
Gedenken aan geens Konings woorden!
Dat hitst zijn moedwil dubbel aan:
Toch zal zijn prooi hem niet ontgaan,
Zijn dolk den jongen Koning moorden!

Maria sluimerde gerust.
Het Kind lag in haar arm gesust.
Ook Jozef sliep. Kon hij vermoeden.
Wat ramp de boosheid hem beschikt?
Maar God, die uit den hemel blikt,
Hij wist het, die Zijn kind zou hoeden.

Een droom, gezonden van den Heer,
Daalt zacht op Jozefs zinnen neer;
Een stem komt tot hem uit den hoogen:
„Op Jozef! maak u op met spoed!
„Op! met de moeder en haar bloed,
„Naar verre landen heengetogen!”


Ingezonden op: 19 July 2001