RIJMBIJBEL.

DE GERAAKTE.

MATTH. IX. v. 1 —  8. MARK. II. v. 1 — 12.

Hij, die een lieve zieke heeft,
Voor wien de kunst geen middel heeft,
Die voere hem den Heiland tegen;
Indien hij slechts van verre naakt,
Indien hij slechts zijn kleedren raakt,
Ervaart hij reeds des Heilands zegen.

Hier op dit bedde ligt een man,
Die hand noch voet verroeren kan;
Maar grooter smart doet hem verkwijnen;
Zijn hart klaagt hem van zonden aan;
Hij heeft zoo menig kwaad gedaan;
Dat kwelt hem meer nog dan zijn pijnen.

Daar hoort hij van een Heer, in wien
Zoo velen reeds den Redder zien,
Die allen jammer op doet klaren;
O mocht ook hij, in zooveel nood,
Op zulk een Heiland goed en groot,
Met oogen vol van tranen, staren!

Daar draagt hem ’t willig vriendental
Waar hij den Heer ontmoeten zal;
Helaas! ’t gedrang belet hun pogen!
Dies torst men hem naar ’t platte dak.
Nooit was oprecht geloove zwak,
Of werd van tegenheên bewogen.

Nu laat men hem voorzichtig neer,
Tot voor de voeten van den Heer.
Zijn blik is smeekend opgeheven.
De Heiland slaat het oog op hem,
En spreekt hem toe met zachte stem:
„Mijn zoon, uw zonden zijn vergeven.”

Dat is een balsem voor zijn hart;
Dat heelt zijn diepste, felste smart;
Daar andren bij zichzelven spreken:
„Dit is godslastring; God alleen
Vergeeft de zonden; anders geen!
Wie durft God naar de kroon te steken?”

De Heer doorleest die harten wel.
Hij vraagt: „Vergiff’nis of’ herste1,
Wat oordeelt gij zou lichter wezen?”
En als de boosheid zich bedacht:
„Tot beide,” sprak Hij, „heb ik macht;
„Sta op, geraakte! Wees genezen!”


Ingezonden op: 19 July 2001