RIJMBIJBEL.

GETHSÉMANÉ.

MATTH. XXVI v. 36 - 46.

Gethsémané gij waart een plaats des lijdens!
Gij hebt zijn smart gezien,
Zijn schriklijkste misschien!
Zijn droevigst’ angst en ’t hevigste zijns strijdensl
Toen op zijn zachte ziel
Geheel de zwaarte viel
Van alles wat Hij uit moest staan en dulden,
Eer alles was volbracht,
En in één schrikbren nacht
Al de ijslijkheên des doods zijn borst vervulden;
En Hij dien zondenlast
Zich voelde op ’t hoofd getast,
Waarvoor zijn bloed aan ’t haatlijk kruis zou stroomen.
Die ure viel Hem bangst;
Hij sidderde van angst,
Gethsémané in ’t lommer van uw boomen.

Gethsémané gij zaagt Hem neergebogen;
Met bloedig zweet bedekt,
Dat van zijn leden lekt,
Ten hemel slaan zijn droevig smeekende oogen:
„O God, zoo ’t mooglijk zij,
„Dees beker ga voorbij;
„Maar niet mijn wil, uw wil geschiede, o Vader!”
Dus klinkt tot driemaal toe
Zijn bede, droef te moe,
Opdat Hij kracht in ’t smeekgebed vergader’.
Toen, moedig opgestaan,
Zaagt gij Hem aangedaan
Met kalmte en moed en sterkte van den hoogen,
En bij de bleeke maan
Hun in ’t gemoete gaan,
Wier bende kwam bloeddorstig aangetogen.

Gethsémané! de trouwsten der getrouwen
Zaagt gij ter aard gebukt,
 Door sluimerzucht gedrukt,
Onmachtig ’t oog op Hem gericht te houen;
Gij zaagt der boozen macht.
Bij ’t duister van dien nacht,
Uw stillen hof baldadig binnenrukken;
En d’ eerste van den drom
’t Verradersch wellekom,
Den valschen kus op Jezus lippen drukken.
Toen grepen zij den Heer,
Hij bood geen tegenweer;
Gij zaagt geen hulp van Englen hem begeeren;
Maar wel hebt gij gehoord
Zijn zacht en vredig Woord,
Als Hij gebood, het zwaard ter scheê te keeren.

Gethsémané gij zaagt den Heer verlaten
Van heel zijn Jongrenstoet,
En volgen ’t snood gebroed
Geduldig en alleen langs Salems straten.
Welnu, de boosheid zal
Den Koning van ’t heelal
Betichten, slaan, bespotten, doemen, slachten;
Maar in uw duisterheid
Heeft Hij zich voorbereid
Tot alles wat zijn ziele staat te wachten.
Dies zal, zoo lang deze aard
Des Heilands naam bewaart,
Het vroom geloof gedenken aan uw stede,
Bij ’t peinzen telken keer
Op ’t lijden van den Heer,
Die, door zijn lijden, ons den zoen bracht en den vrede.

B.

 


Ingezonden op: 19 July 2001