RIJMBIJBEL.

DE HERDERS.

LUK. II. v. 8 -14.

Herders, op het stille veld,
De oogen hemelwaart!
Ziet, wie daalt er neer op aard?
Hoort hetgeen hij meldt!
Ai, wat siddring gaat u aan?
In dit stil en plechtig duister,
Ziet gij eensklaps hemelluister,
En een Engel voor u staan.

Herders, siddert niet voor hem;
Leed verkondt hij niet;
Zoo gij ’t aan zijn oog niet ziet,
Hoort het aan zijn stem:
,,’k Zeg u groote blijdschap aan,
„U, en allen die het hooren;
„Want de Heiland is geboren,
„Die uw schuld op zich zal laân.

„Hij, de Christus en de Heer,
„Ligt in Davids stad,
„Als het God beschoren had,
„In de kribbe neer.”
Ziet, daar blinkt het blij gedrang
Van des Hemels legerscharen,|
 Herdren! die het aan moogt staren,
Hoort hun jubelend gezang!

En de Herders hoorden ’t schallen:
„Hoogste heemlen, zingt Gods eer!
„Vrede daalde op aarde neer,
„En in menschen welgevallen.”


Ingezonden op: 19 July 2001