RIJMBIJBEL.

JEZUS GBROORTE.

LUK. II. vers 7.

Indien gij vraagt: Waar zal mijn oog
Den neergedaalde van omhoog
Ontmoeten, en mijn blij gelaat
Aanschouwen s werelds Dageraad,
De Star, waar ieder zon bij zwicht,
En die den zwartsten nacht verlicht?

Zoo wend den blik niet naar den gloed,
Die koningskronen blinken doet;
Zoo hef uw oog niet naar den glans,
Die afstraalt van een lauwerkrans;
Zoo tuur niet op de schitterpracht,
Waarmee zich rijkdom siert en macht

Maar volg, waar u mijn hand geleidt,
Ter plaats der diepste needrigheid.
Hier, in de es slecht verlichten stal,
Hier ligt de Koning van t Heelal.

Hier, in dees kribbe, Judas eer!
In grove windslen, s werelds Heer!
Hier, de erfgenaam van Davids troon,
Gods eigen, eengeboren Zoon!

O Denkbeeld, zoet voor onzen geest:
Ook Jezus is een kind geweest,
Een hulploos wicht, als onzer elk,
Als wij gedrenkt met moedermelk!

Nu ga, en zeg aan al wat leeft,
Dat ons de Heer gezegend heeft;
En dat, naar zijn beloftenis,
De Christus Gods geboren is.


Ingezonden op: 19 July 2001