RIJMBIJBEL.

JOHANNES DE DOOPER.

MATTH. III. v. 1-12.

De woestijn geeft een plechtigen kreet;
’t Is ’t geluid van des Roependen stem:
„Maakt de wegen des Heeren gereed,
„En vereffent de paden voor Hem!”
Ja, een andere Elia omhult
Zich het lijf met het kemelshaar kleed;
Van zijn Geest en zijn Godspraak vervuld,
Treedt hij op als Jehova’s Profeet.

De Gestrenge! Gedocht was zijn oog,
En zijn houding ontzagluk en groot,
Als zijn lip zich tot spreken bewoog,
En zijn vuist in bedreiging zich sloot.
’t Was de man die, op ’t steenige pad,
Honig vroeg van de kloven der rots;
Die den sprinkhaan der wildernis at;
Maar zich laafde aan de raadslagen Gods.

De heraut van den Christus is hij,
Die ”„bekeering, bekeering!” beveelt;
Want het koninkrijk Gods is nabij,
Waar geen maagschap der boosheid in deelt.
Zie, hij doopt, o Jordaan! in uw bad;
Maar reeds leeft Hij, en nadert zijn uur,
Die met meerder zal doopen dan nat, —
Met den Heiligen Geest en met vuur.

„Farizeën! Gij addrengebroed!”
— Alzoo spreekt de Gezant van den Heer
„De toekomende toorn is in gloed;
„Gij ontwijkt of ontvliedt hem niet meer!
„Aan den wortel ligt de akst, die den stam,
„Die geen vrucht draagt, hoe bladrijk hij zij
„Op zal offren aan ’t heete der vlam;
„Zoo bekeert u! Gods rijk is nabij!

„Kindren Abrams! gij roemt uw geslacht,
„Schoon gij voortleeft in zonde en in kwaad;
„Ook uit steenen verwekt ze zijn macht,
„Zoo Hij ’t wil, wiens gebod gij versmaadt.
„Zoo gij vraagt wat Jehova beveelt?
„Dat gij recht doet, en niemand berooft
„Dat gij uitstrooit den armen en deelt;
„Alzoo daalt ’s Heeren gunst op uw hoofd.

„Alzoo neemt de Messias u aan.
„Maar Hij komt, met de wan in zijn hand!
„Op zijn dorschvloer doorzuivert hij ’t graan,
„En Hij levert het kaf aan den brand.
„Ja, de tarwe vernacht in zijn schuur,
„Waar de trouw van zij.n dienaars haar brengt.
„Maar voor ’t kaf vlamt een rusteloos vuur,
„Dat de stopplen tot een toe verzengt.”

B.


Ingezonden op: 19 July 2001