RIJMBIJBEL.

DE KANANESCHE VROUW.

MATTH. XV. v. 21 - 28.

I.

Soms toont de Liefde een harden schijn,
Als zou zij ongevoelig zijn,
Als had zij voor al s werelds leed
Noch oog, noch oor, noch hart gereed;
Als raakte s menschdoms droefst verdriet
Haar afgewende ziele niet.

Maar t is toch niet zoo hard gemeend,
Daar ze altijd gaarne hulp verleent.
Maar t is omdat zij t hart beproeft
Van t Schepsel, dat haar hulp behoeft;
Maar t is opdat, wie tot haar klaagt,
Te beter wete wat hij vraagt

Maar t is opdat wie tot haar schreit
Een dubble zegen zij bereid,
En zich doordringen moog hiervan,
Dat niemand redding eischen kan,
Dat alle hulp, in elk verdriet,
Genade zijn moet, anders niet.

De Heer kent allen in hun smart,
Ook t zwak geloof, ook t weiflend hart;
En zout zoo gaarn zijn troostrijk zoet
Met les en leering voor t gemoed;
En wil dat de indruk zij versterkt
Dier Liefde, die Geloove werkt.

Ook wordt wel gaarn een duidlijk woord
Van groot geloof door Hem gehoord;
En, schoon Hij t zict op s harten grond,
Een klaar getuignis van den mond,
Een luid belijden van zijn naam,
Dat andrer ongeloof beschaam.

II.

De Heiland treedt door Sidons palen;
Een vrouw verheft haar stem,
En poogt Hem schreiende in te halen,
Maar roept vergeefs tot Hem.

Ach, zeker heeft zij grond tot weenen;
Haar dierbaar kind ligt slecht:
Wie zal haar hulp of troost verleenen,
Zoo Deze t haar ontzegt?

Zij blijft tot Hem de handen heffen,
En smeekt zoo luid zij kan;
Zij zal toch eens t gemoed wel treffen
Van zoo gestreng een man.

Reeds neigt zij zijner Jongren harten
(Dus waant zij) tot gena.
Zij smeekten: Heer, genees haar smarten,
Opdat zij van ons ga.

Maar Jezus zegt, dat op geen Heiden
Zijn gunst en hulpe daalt;
Hij moet zich houden aan de weiden,
Waar Isrels kudde dwaalt.

Doch de arme moeder smeekt al weder,
Hoe hard zij t antwoord vind,
En laat zich op de knie neder:
Och, Heer! genees mijn kind!

Maar t wederwoord slaat dieper wonden:
Wie neemt der kindren brood,
En werpt het roekloos voor de honden,
Hen latende in hun nood?

Maar t zal haar vast geloof niet deren:
De honden krijgen toch
Van dafval van den disch der heeren
De kleene brokskens nog!

Het was genoeg; genoeg gebleken
Van welk een vlam zij gloort:
Uw groot geloof bleef onbezweken;
Dies zij uw be verhoord.

Dus sprak de Heer, en opgerezen
Is ze ijlings heengesneld.
Zijn woord kon niet dan waarheid wezen;
Zij vond haar kind hersteld.


Ingezonden op: 19 July 2001