RIJMBIJBEL.

DE KINDERMOORD.

MATTH. II. v. 16.

O, Haast u niet om weer te keeren
Vrome ouders, naar t geliefde land!
Daar dreigt de haat met wreede hand;
Geen liefde, die haar af kan weren.

Volleerd in schande en gruwelstukken,
Schoffeert een vorst zijn heilig ambt,
En doet, in dolle woede ontvlamd,
Den moorddolk uit de scheede rukken.

O, Zie hem, zie hem dreigend blinken,
In de arme stad, die gij verliet;
Hoor, waar de roode bloedstroom vliet,
Der moedren jammerklacht weerklinken

De moordlust weet van geen erbarmen;
Helglinstrend als een bliksemstraal.
Zwiert ze in haar vuist t getrokken staal,
En treft het kind in ouderarmen.

Helaas, zoo menig dierbaar wichtje
Ligt met doorstoken borst ter aard;
De wreedheid, die geen lijkjes spaart,
Trapt op t vertrokken aangezichtje.

De moeders, die haar kroost verloren,
Haar vreugd, haar lust, haar eigen bloed,
Gaan om, waanzinnig en verwoed,
En willen geen vertroosting hooren.

O, Zuigelingen aan de borsten,
O, Telgjes op uw moeders schoot
Besprongen van zoo wreed een dood,
Hoe duur staat u de haat eens Vorsten!

Kan God het gruwelstuk niet keeren
En de onschuld wreken van omhoog?
Of kan t ontschuilen aan zijn oog?
Waar is de waakzaamheid des Heeren?

En toch, God waakt. Vergeefsche zonden!
Vergeefs, o Vorst uw moed gekoeld!
De dolk, die op t kind Jezus doelt,
Zal zijn onschuldig hart niet wonden.

Zoo vroeg wil God niet dat hij sterve.
En vloeit hier ook onschuldig bloed,
Hij maakt het duizendvoudig goed,
Die allen redt van den verderve.

Eens neemt Hij al de lieve kleenen,
Om zijnentwil dus wreed vermoord,
Genadig op in beter oord.
Daar zal geen droeve moeder weenen.


Ingezonden op: 19 July 2001