RIJMBIJBEL.

MARIA VAN MAGDALA.

JOH. XX. v. 11 — 17.

Als ’t ochtendgrauween zweem van licht
Op ’t bleek gezicht
Der lieve Magdalena straalde,
Vriendinne van den Zoon van God,
Zoo trad zij naar de duistre grot,
Waarin Hij daalde.

Met eedlen balsem nadert zij
En specerij,
Om in zijn graf den doode te eeren,
Met de eigen handen, teer en kuisch,
Waarmee zij afholp van het kruis
Den Heer der Heeren.

Maar als zij naar de grafplaats blikt,
O Wee, haar schrik!
De steen der grot te is weggenomen.
Dies vliedt zij naar de Broedren heen;
Maar om droef schreiende en alleen
Terug te komen.

Ja, bitter weenend zit zij neer.
„Waar is haar Heer?
Wie heeft bestaan Hem weg te rooven?”
—  Want weinig wist haar ziel daaraf,
Dat geen Hem wegnam uit het graf,
Dan God hierboven.

Met tranen van haar wang gevloeid
Zij ’t kruid besproeit,
En al haar meegebrachte geuren.
En telkens, schoon ’t haar vruchtloos blijk’,
Zoekt weer .haar oog ’t geliefde lijk,
Met hooploos treuren.

Maar eensklaps wordt dat oog verlicht.
Een schoon gezicht,
Van Englen treft haar in haar rouwe.
Hoe schittert kleed en wezen uit!
En de eene vraagt met zoet geluid:
„ Wat weent gij, vrouwe?”

Nu klaagt zij de oude klachte weer:
„Ik mis mijn Heer!
„Ik weet niet waar zij Hem verborgen!’.
En handenwringt als buiten raad
Nooit zag men droeviger gelaat,
Op blijder morgen.

„Maria!” klinkt het; en niets meer.
„Dat is de Heer!”
Reeds ligt zij snikkende aan zijn voeten!
Wie zaalger dan dit vrouwenhart
Dat zulk een Heer, na zulk een smart
Dus blij mocht groeten!

B.


Ingezonden op: 19 July 2001