RIJMBIJBEL.

DE MOEDER.

LUK. II. v. 19.

Maria ís luistrende ooren hoorden
Wat door de Herders wordt verhaald,
En zoo haar spraak en rede faalt,
Haar boezem overlegt die woorden.

Als zij, met innig zielsverrukken,
Op ít pasgeboren wichtje ziet,
Zoo weet ze uit heiligí eerbied niet,
Of zij het wel aan ít hart durft drukken.

Het is haar alles als een droom.
Zou dit haar kindje zijn? haar eigen?
En nauw bedwingt zij, in haar schroom,
Haar knie om zich voor ít wicht te neigen.

Zoo waarlijk meent ze op ít zoet gezicht
De hemelsche gena te lezen,
En heeft, als ít op haar knieŽn ligt,
Zoo groot een heil onwaard te wezen.

Zij raakt het aan met zachte hand,
Zoo als men ít heilige aan moet raken;
O Teeder kind! o dierbaar pand!
Wat zoetheid doet ge uw moeder smaken!


Ingezonden op: 19 July 2001