RIJMBIJBEL.

PETRUS.

MARK. XIV. v. 27 — 31. en 66 — 72.

Als al de andren van Hem vloden
In dien schrikkelijken nacht ,
Toen de Heiland door de snooden
Werd voor 8alems raad gebracht
Heeft zich Petrus willen dragen
Als veel moediger en trouw
Tot hij door een slechte vrouw
Droevig is uit ’t veld geslagen.

„Eer ik me aan u ergren zoude
„Meester, wat u oiit geschied’”
„Eer mij ooit uw vriendschap rouwde,
„Eer ik uwe zij’ verliet,
„Eerder zou ’k mijn vrijheid derven .
„Eerder dan Ik van u scheid!
„Heer! zie hier! ik ben bereid
„Ook den dood met u te sterven.”

Maar op ’s Heilands heilig wezen
Zich een droevig lachje groeft;
„Eer de morgen is verrezen,
„Petrus, wordt uw trouw beproefd
„Eer de haan zich tweemaal hooren
„Doet, als hij voor ’t licht ontwaakt
„Hebt gij driemaal mij verzaakt!”
 Dat klonk hard in Petrus ooren.

Schoon hij uitviel met den zwaarde
In uw hof, Gethsémané!
Toen de schrik ook hem vervaarde
Vlood hij met de broedren mee.
Maar weer schaamt h.ij zich dat vlieden,
En hij dringt zich In den stoet
Die aan Jezus koelt zijn moed,
Als de Priestren zich berieden.

Dies hij ’t schouwspel overblikte,
Waar geen mensch aan keeren mag;
Toen een dienstmaagd hem verschrikte.
Die hem diep in de oogen zag;
„Hier is,” klonk het door de zale,
„Een van die met Jezus gaan.”
„Neen!” sprak Petrus; maar de haan
Kraaide luid voor de eerste male.

Als hij nu, met bleeke wangen
Siddrend deinsde van de plek,
Heeft hem nieuwe schrik bevangen
In de poort van ’t voorvertrek,
Waar de dienaars op het wezen
Als een volger van den Heer
Maar zijn mond ontkende ’t weer:
„Hem wat niets gemeens met dezen.”

Telkens ba,nger en bedeesder,
Staat hem ’t zweet op ’t bleek gelaat
Ieder blik maakt hem bevreesder,
Ieder woord hem nederslaat.
Toch wij hij zijn angst ontveinzen;
Toch, opdat zijn blooheid niet
AI te duidlijk zich verried,
Als men straks hem af zag deinzen.

Maar de woorden, die des Heeren
Naam verloochenden dus luid,
Om verdenking af te keeren,
Brachten door hun klank hem uit.
Toen, ten uiterste gedreven,
Zwoer hij met een dieren eed....
Als de haan zijn morgenkreet
Andermaal heeft aangeheven.

Petrus! hoe heeft dat geklonken
In uw ooren, in uw ziel?
Hoe de blik u toegeblonken,
Die van Jezus op u viel?
Ach! daar vliedt gij siddrend henen,
Tot in ’t innigst hart verplet.
Om uw trotsche zwakheid met
Hittre tranen te beweenen.

B.

II.

Schrei Petrus! laat uw tranen stroomen.
Beween uw kwaad!
De trots is vóór den val gekomen,
Als ’t doorgaans gaat.

Schrei uit dan om uw schuld te boeten!
Al kunt gij nu
Niet vallen aan des Meesters voeten,
Toch ziet Hij u.

Toch weet Hij dat uw hart van rouwe,
Van droefheid breekt,
En kiemen van een beter trouwe
In ’t binnenst kweekt.

O Mochten wij van Petrus leeren
Ons hart doorzien!
Daar is verloochening des Heeren
Niet vreemd misschien.

Maar ieder die zich zelf veroordeelt,
Als Hem ontrouw,
Die zie op Petrus, en op ’t voorbeeld
Van diens berouw.

B.


Ingezonden op: 19 July 2001