RIJMBIJBEL.

PILATUS.

MATTH. XXVII. v. 1 24.

Pilatus! hoe? gij durft de hand in t water steken,
En roemt u vrij van t onrecht dat geschiedt!
Zoo waart gij dan zijn Rechter met,
Of niet in staat Hem vrij te spreken?

Lafhartige! Gij hadt geen schuld in Hem gevonden;
En waarom dan zijn onschuld niet gered.?
Maar Heul, in spijt van recht en wet,
Den vuigen spotter toegezonden?

Gij ziet geen schuld. Maar om aan snooden te behagen,
Wier helsche macht uw angstig hart beklemt,
Wilt gij den bloedkreet, dien zij stemt,
Afkoopen met uw geeselslagen.

Gij ziet geen schuld. Gij hoort uw eegaas bange droomen;
Gij aarzelt, hoort, en draalt, en hoort alweer;
Maar toch, gij neigt u immer meer
Het schuldloos bloed te laten stroomen.

Blooharte vrees, de gunst eens Keizers te verbeuren,
Gij hebt op t, laatst het schriklijk pleit beslist!
Geluk, o Joden! met die list;
Nu zal men Hem ter kruispaal sleuren!

Maar gij, o Rechter! wascht in onschuld u de handen?
O Zeg ons, zeg ons niet dat gij t gelooft!
Dit vonnis drukt u zwaar op t hoofd,
Dit bloed zal u op t harte branden.

En toch, indien nog thans u t valsche vonnis rouwde,
Zoo kan het bloed., dat gij vergieten laat,
Ook u nog zulvren van dat kwaad,
Opdat het u de ziel behoude.

Straks, als door hand en voet de nagel wordt gedreven,
Te midden van der beulen schendig won,
Bidt Hij den Vader te vergeven
Aan die niet weten wat zij doen!
Die be geldt u; mocht slechts uw hart ze niet weerstreven.

B.


Ingezonden op: 19 July 2001