RIJMBIJBEL.

SIMEON.

Luk. II. v. 25 - 35.

I.

Hooge jaren,
Grijze haren,
Kracht nit God,
Zijn, o Simeon, uw lot!
Neergebogen
Op uw staf,
Slaat gij de oogen
Naar uw graf.

’t Heerlijkst hopen
Staat u open,
Na den dood:
Zaligheid in Abrams schoot.
Maar te voren
Zal uw oog
’t Licht zien gloren
Van omhoog.

Eerst nog zullen
Zich vervullen,
Hem ter eer,
De beloften van den Heer,
En uw blikken
Aan ’t gezicht
Zich verkwikken
Van dit wicht.

B.

II.

Als Simeon, van grijsheid stram,
De moederlijke Maagd ontmoette,
Het Kindeken in de armen Dam,
En met een blijden glimlach groette,
Daar hief zijn mond den lofzang aan,
Tot eere Gods, die hem gespaard had
Totdat zijn oog zich nog verklaard had
Aan ’t Licht, der wereld opgegaan.

„Nu laat ge, o Heer! den stromplende’ Oude
In vrede heengaan naar uw woord,
Nu hij uw Zaligheid aanschouwde,
Die al de volkren tegengloort;
De heldre Zonne, die den Heiden
Zal schittren in ’t verblind gezicht;
En, ze overstralend met haar licht,
De glorie Isrels uit zal breiden.”

B.

III.

Als de Moeder hem ziet, en haar oor door zijn lied
Wordt gestreeld in het diepst van haar harte;
Daar bevangt haar een schrik, want een donkerder blik:
Van den grijsaard bedreigt haar met smarte.

„Zie,” dit is ’t wat hij meldt: „dit uw kind wordt gesteld
Tot een aanstoot in Israels streken;
Die aan menig ten val, en ten steun strekken zal,
Tot een teeken, dat velen weerspreken.

Wie uit Jacobs geslacht nog een Heiland verwacht
En begeert, zal dit kind openbaren;
Maar o wee! als Uw hart ’t felle zwaard van de smart,
In zijn grievendste vlijm, zal ervaren.

B.


Ingezonden op: 19 July 2001