RIJMBIJBEL.

SIMON VAN CYRENE.

LUK. XXIII v. 26.

Hij gaat den dood voor de oogen treden,
Aan d eindpaal van zijn moeilijk pad;
Wel heeft Hij reeds genoeg geleden,
Sinds Hij den Hof der Smart betrad!
Hij heeft hun lastertaal verdragen,
Hun schimp, hun spot, hun doornenkrans,
Hun vuistslag en hun geeselslagen;
Hij torst hun schandlijk kruishout thans.

Hoe wordt die leest, zoo naamloos edel,
Door zoo gevloekt een last gedrukt!
Hoe houdt Hij d eens zoo hoogen schedel
Vermoeid en flauw ter aard gebukt!
Dit is te veel! Na zoo veel plagen
En ziel en lichaam aangedaan,
Nog t gruwelhout te moeten dragen,
En t rijzend voetpad op te gaan.

Zoo langzaam droegen Hem zijn voeten,
Zoo moeizaam viel de weg ter dood,
Dat hun, die Hem geleiden moeten,
De traagheid van zijn tred verdroot;
Als Hij nu krachtloos neerzonk, grepen
Ze een vreemdllng aan, voor Hem bereid
Het kruis ten heuvel op te slepen,
Waarheen de weg des jammers leidt.

Waarom uit allen u gekoren,
Cyrener, die van d akker keert?
Omdat ge een lakend woord doet hooren?
Omdat u s Heilands moeite deert?
Omdat ge een lijder durft beklagen,
Die dus zijn doodsuur tegenging?
Omdat uw oog hen schijnt te vragen:
Waartoe ook dze foltering?

Omdat een traan blinkt in uw oogen?
Of wijl ge uw oogen sluit en dekt,
Zoo ras de stoet komt aangetogen,
Die naar de afschuwbre strafplaats trekt?
Omdat ze in uw verteederd wezen,
Uw blikken op den Heer gevest,
Een liefde voor den lijder lezen,
Wel gaarne tot zijn dienst geprest?

Maar wat u tot die taak mocht nopen
Een schoon, een heerlijk voorrecht was t ;
De Liefde kon niets lievers hopen
Dan zich te kwijten van dien last.
O, Heilig was de dienst voorzeker
Uw hart, en zalig boven maat;
Een zoete droppel in een beker
Van die zijn doodsuur tegengaat!

Dat valt aan geenen der getrouwen,
Geen der Disciplen meer te beurt;
Zij blijven achter en aanschouwen
Hun Heer, met oogen rood getreurd; 
Maar ach! zij mogen niets dan klagen
Van Hem en van zijn kruis geweerd;
O, Had een Petrus t mogen dragen,
Wien schuldbesef het hart verteert!

Een andre Simon mag het torsen .
Het eenigst vriendelijk gelaat,
Te midden van de wreede en norschen
Wier kring zich om den Heiland slaat;
En de eenge die met medelijden
Op d armen lijder nederblikt,
En van een deel Hem wil bevrijden
Van wat de boosheid heeft beschikt.

Hem, die in alle ramp en nooden
De liefste en trouwste helper was,
En meer dan bijstand heeft geboden,
De smart vertroostte, en t leed genas;
Hem, die den zwakke niet liet kermen,
Maar heeft gesteund en opgericht,
Hem toont hij heden zijn erbarmen,
O Zoete dienst, o diere plicht!

En Simon! was het u aan t harte
Niet wel en zalig na dien tijd?
Bleef niet voortaan, in vreugde en smarte.
Uw leven aan den Heer gewijd?
Verscheen niet vaak voor uw gedachten,
Heeft u in t sterfuur niet verkwikt
Het vriendlijk dankend oog des Zachten
Zooals het u had toegeblikt?


Ingezonden op: 19 July 2001