RIJMBIJBEL.

DE VLUCHT.

MATTH. II. v. 14

De tocht gaat aan.
Het licht der maan
Schijnt vriendlijk over Bethlems weiden;
Maar toch, Egypteland is ver,
En waar de ster,
Die hen zal leiden?

Zij vreezen niet
Jehova ziet
En telt en regelt al han schreden;
En, schoon zij buiten Isrel gaan,
Hem roepen ze aan
In hun gebeden.

De wreedheid woed
En dorst naar bloed,
Toch zal ze t heilig Kind niet deren.
Zij wandlen veilig aan Gods hand,
In t vreemde land,
Naar t woord des Heeren.

Zijn liefde doet
De zon haar gloed
Verzachten, waar ztj treden mogen;
En als vermoeidheid kwelt of dorst,
Hij zalft hun borst
Met frissche togen.

Hij zendt bij nacht
zijn Englenwacht,
Die t Kindje met hun vleuglen dekken;
En sterkt met sluimring, diep en zacht,
Der oudren kracht,
Om voort te trekken.

Zoo komen zij
Het land nabij,
Hun aangeduid door t woord des Heeren;
Zoo leven ze in Zijn hoede voort,
Tot k Zijn woord
Hen weer doe keeren.


Ingezonden op: 19 July 2001