RIJMBIJBEL.

DE VOETWASSCHING.

JOH. XIII. v. 1 — 17.

Als Jezus Christus wilde leeren,
Dat wie ten hemel in wil gaan
Den broederen ten dienst moet staan
En om hun wil zichzelf verneeren,
Zoo knielde Hij, der Heeren Heer,
Bij zijn disciplen neer.

Zijn opperkleed is uitgetogen,
Hij met den linnen doek gegord;
Zijn hand heeft water uitgestort
In ’t bekken, voor der Jongren oogen.
Wat wil de Meester? Hij bespat
Hun voeten met dat nat.

Dit voorbeeld wil Hij heden geven.
Maar Petrus, als Hij tot hem naakt,
Voor hij zijn voet heeft aangeraakt,
Schijnt als ontzet terug te beven.
„Zoo gij mijn voeten wasschen zult....!
„O, Meen niet dat ik ’t duld!”

De Heer spreekt ernstig en bewogen:
„Tenzij dees dienst hem welkom zij,
Heeft Petrus nimmer deel met mij!”
En deze, met een traan in de oogen:
„Heer! dan de voeten niet alleen,
„Maar hoofd en hand meteen!”

En Jezus wascht hun aller voeten,
En droogt ze vriendlijk af en zacht:
Ook zijne, die nog dezen nacht,
Als zijn verrader Hem zal groeten;
Onreine, wiens verleide ziel
Een prooi des Satans viel.

Hij rijst; herneemt zijn opperkleederen,
En neemt zijn vroeger plaats weer in:
„Verstaat gij,” vroeg Hij toen, „den zin
Van mijn gedienstig zelfvernederen?
„Gij noemt mij Meester, en terecht!
„Ik ben hetgeen gij zegt.

„En echter wiesch ik u de voeten,
„Ik die uw Meester ben en Heer;
„Denkt hoe de dienaars des te meer
„Elkanders voeten wasschen moeten!
„Wat door den Meester werd gedaan,
„Neemt dat als voorbeeld aan!”

Zoo wij des Heeren woord onthielden,
En nooit, door valsche schaamte hard,
Door ons een dienst geweigerd werd,
Zoo we aan der broedren voeten knielden,
Waar ’t pas bad. tot hun hulp gereed,
Zooals de Heiland deed;

Indien wij nimmermeer vergaten,
Hoe van een liefde, nooit verkoeld,
Die altijd ’s naasten vreugd bedoelt,
Hij ’t voorbeeld ons heeft nagelaten;
Wij zouden beter zijn in ’t oog
Van onzen Heer omhoog!

B.


Ingezonden op: 19 July 2001