RIJMBIJBEL.

DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.

MATTH. II. v. 1-12.

l.

Wien zoekt gij op vermoeide voeten,
Eerwaardig drietal? Spreekt, waarheen?
Wij komen ver uit t Oost getren,
Om d U geboren Vorst te groeten.

Wie deed in t verre land u hooren,
Dat hij het licht. ontvangen had?
En wie geleidde u langs uw pad,
Dat gij het nergens hebt verloren?

Zijn heldre ster verscheen onz oogen;
Toen hebben we ons den voet geschoeid;
En sedert dwaalden we onvermoeid,
Tot wij Hem hier aanbidden mogen.

Want als wij naar dien Koning vraagden
Den Wijzen van Jeruzalem,
Zoo wezen ze ons op Bethlehem,
Waar uw Profeten van gewaagden.

Dr ving zijn ster weer aan te blinken;
Op gindsche hut te straalt haar licht;
Dr is het koninklijke Wicht;
Dr willen we aan zijn voeten zinken.

II.

De ster houdt stand;
Der Wijzen hand
Ontsluit de laaggebouwde woning;
Zij treden in met diep ontzag,
En in zijn Moeders armen lag
Het Kind, de jonggeboren Koning.

O Schoon gezicht
Van t heilig wicht!
Het driemanschap staat opgetogen.
t Is of een zachte hemelgloed
Het kinderhoofdje glanzen doet,
En uitstraalt uit die schuldlooze oogen!

Geen twijfel meer!
Zij vallen neer,
Aanbiddend wat hun oogen zagen,
En offren wierook, mirre, en goud;
Al wat men Vorsten waardig houdt,
En God in t offer op durft dragen.

Het wichtje zag,
Met zoeten lach,
Op hun gebogen schedels neder:
Was daar iets zeegnends in zijn oog?
Gewis, zijn Vader van omhoog
Gaf hun de gaven tienvoud weder.


Ingezonden op: 19 July 2001